onderzoek naar wijken, gemeenten en regio's in Nederland

CultuurKaart

De waarde van groen en water in en om uw gemeente in kaart gebracht.


DoeMeeWijzer

Waar moeten we bouwen en waar vooral niet?


De participatiegraad in, en de klantenkring van gemeenten gedetailleerd in kaart gebracht.


CultuurKaart

 

 

Het culturele aanbod en de cultuurdeelname in uw gemeente in kaart gebracht.


RegioFoto

 

 

Naar een optimale afbakening en concurrentiepositie van een regio.


Kansen voor grensoverschrijdende samenwerking in kaart gebracht.


Waar wordt het geld in de gemeente verdiend? De productiewijzer brengt dat in kaart.


StadsFoto

 

 

Een analyse van (de achtergronden van) de kansen en problemen in de stad.


BijstandWijzer

Zicht op uw lokale beleidsruimte. Hoe groot is uw invloed op de omvang van de bijstand?


In de Atlas voor gemeenten worden de vijftig grootste gemeenten van Nederland op meer dan vijftig punten vergeleken. Die vijftig gemeenten (G50) zijn geselecteerd op basis van de bevolkingsomvang op 1 januari 2003. Sindsdien is de selectie van gemeenten niet meer aangepast omdat daarmee de vergelijkbaarheid door de tijd wordt gegarandeerd, en wordt voorkomen dat door gemeentelijke herindelingen grote niet-stedelijke gemeenten zoals de gemeenten Westland en Súdwest Fryslân in de Atlas worden vergeleken met stedelijke gemeenten.

 

De indicatoren waarop die vijftig gemeenten in de Atlas worden vergeleken zijn onderverdeeld in de categorieën ‘algemene informatie’, ‘bevolking’, ‘sociaal-economische positie’ en ‘woonaantrekkelijkheid’. In deel II van deze Atlas is van de indicatoren uit die categorieën per gemeente (indien mogelijk) de ontwikkeling door de tijd gepresenteerd, vergeleken met het gemiddelde van de G50. In deel III is per indicator een ranglijst opgenomen met de positie van de vijftig gemeenten ten opzichte van elkaar. In dit vierde deel worden alle indicatoren beschreven die in de Atlas voor gemeenten 2016 zijn opgenomen. Van die indicatoren worden de bronnen en de manier van samenstelling beschreven. De bron geeft telkens aan waar de ruwe data vandaan komen. Die gegevens zijn meestal door de samenstellers van de Atlas bewerkt. Als geen bron vermeld staat is Atlas voor gemeenten zelf bronhouder. Een opsomming van alle gebruikte databronnen staat achter in dit deel.

 

Pagina 1 Algemene informatie

 

De eerste pagina per gemeente in deel II bevat algemene informatie over de gemeente: het aantal inwoners, de geografische ligging en het grondgebruik. Bovendien zijn op deze pagina de samengestelde indices gepresenteerd: de sociaal-economische positie en de woonaantrekkelijkheid.

 

Naam gemeente

De samenstelling van gemeenten is herhaaldelijk gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen betreffen samenvoegingen van gemeenten. Andere wijzigingen zijn grenscorrecties. Dikwijls zijn er ook kleine wijzigingen waarbij slechts enkele tientallen personen en een paar huizen betrokken zijn. Daarnaast zijn er grenswijzigingen waarbij alleen een stuk grond van de ene naar de andere gemeente gaat. Een vergelijking van cijfers uit verschillende jaren is niet zinvol wanneer deze cijfers betrekking hebben op verschillende gemeente-indelingen. Daarom zijn alle gegevens in deze Atlas omgerekend naar de gemeente-indeling van 1 januari 2015. Dat betekent voor deze Atlas dat met name (relatief grote) grenswijzigingen hebben plaatsgevonden voor Alkmaar (toevoeging van de oude gemeenten Graft-De Rijp en Schermer), ’s-Hertogenbosch en Oss (beide hebben er een deel van de oude gemeente Maasdonk bij gekregen). Ook is de nieuwe gemeente Nissewaard opgenomen, in plaats van Spijkenisse; de nieuwe gemeente Nissewaard is een samenvoeging van de oude gemeenten Spijkenisse en Bernisse. Voor de gemeentegrenscorrecties is gebruikgemaakt van het Historisch Bestand Gemeenten van het CBS. Dat bestand geeft van elke grenswijziging het aantal personen, het aantal woningen en het oppervlak dat is overgedragen van de ene naar de andere gemeente. Ook naamswijzigingen zijn hierin opgenomen. Met behulp van de gegevens uit dat bestand is voor elke gemeente berekend hoeveel procent van de inwoners, woningen en oppervlakte in de nieuwe indeling bestaat uit inwoners, woningen en oppervlakte van een andere gemeente uit de oude indeling. Op basis van deze berekening zijn cijfers uit een oude gemeente-indeling omgerekend naar cijfers in de nieuwe gemeente-indeling. Met name voor de gemeenten Alkmaar en Nissewaard verschillen de historische gegevens in de Atlas daarom nogal eens van die in eerdere edities.

 

Aantal inwoners

De omvang van de bevolking op 1 januari 2016 (CBS, StatLine).

 

Rang omvang gemeente

Het rangnummer van de gemeente op basis van de bevolkingsomvang op 1 januari 2016.

 

Geografische ligging

Op een kaart van Nederland zijn de contouren aangegeven van alle gemeenten die in de Atlas zijn opgenomen. De op deze pagina’s beschreven gemeente is blauw ingekleurd.

 

Grondgebruik

De totale oppervlakte van de gemeente, en de verdeling over de categorieën bebouwing, bos en natuur, recreatie, landbouw en water (bron: CBS Bodemstatistiek).

 

Woonaantrekkelijkheid

De woonaantrekkelijkheidsindex laat zien hoe aantrekkelijk een gemeente gevonden wordt om in te wonen. De woonaantrekkelijkheid van een gemeente is gemeten aan de hand van een index waarin acht factoren zijn opgenomen. De factoren hebben in de index elk een eigen gewicht meegekregen. De woonaantrekkelijkheidsindex bestaat, in volgorde van gewicht, uit de bereikbaarheid van banen, het culturele aanbod (podiumkunsten), veiligheid (een gewogen samengestelde index op basis van het aantal geweldsmisdrijven en vernielingen), het aandeel koopwoningen in de woningvoorraad, de nabijheid van natuurgebieden, de kwaliteit van het culinaire aanbod, de aanwezigheid van een universiteit en het historische karakter van de stad (het percentage woningen gebouwd vóór 1945). De selectie van de factoren die deel uitmaken van de woonaantrekkelijkheidsindex en de bijbehorende wegingsfactoren zijn de uitkomst van een objectieve econometrische analyse.[1] Dus niet op basis van een enquête en de subjectieve beleving van mensen, maar op basis van het feitelijke (woon)gedrag. Met een econometrische analyse is dat woongedrag van economisch kansrijke Nederlandse huishoudens onderzocht. De vraag naar woningen in de gemeenten is in verband gebracht met zoveel mogelijk factoren die op deze vraag van invloed zouden kunnen zijn. Op die manier is onderzocht wat de factoren zijn die de aantrekkingskracht van een stad op kansrijke bevolkingsgroepen bepalen. Bovendien wijst de analyse uit welk gewicht elke factor heeft ten opzichte van de andere factoren. Die factoren met bijbehorende wegingen leveren de woonaantrekkelijkheidsindex op. De bereikbaarheid van banen weegt daarin het zwaarst. Vanuit gemeenten in de Randstad zijn ondanks files meer banen te bereiken dan vanuit gemeenten in de grensregio’s. Daarom staan veel gemeenten in de Randstad hoog op de ranglijst van de woonaantrekkelijkheidsindex.

 

[1] Zie: G.A. Marlet, 2009: De aantrekkelijke stad (VOC Uitgevers, Nijmegen), hoofdstuk 5.

 

Ontwikkeling woonaantrekkelijkheid door de tijd

Behalve de samenstelling van de woonaantrekkelijkheidsindex voor het jaar 2016 en de positie op de ranglijst van meest aantrekkelijke gemeenten, is per gemeente ook de ontwikkeling van de relatieve positie op de ranglijst voor woonaantrekkelijkheid opgenomen. Bij sommige gemeenten zijn daarin flinke schommelingen zichtbaar. Dat komt omdat de rangnummers door de tijd worden vergeleken. Van sommige gemeenten liggen de waardes van de woonaantrekkelijkheidsindex dicht bij elkaar. Het gevolg daarvan is dat een lichte verslechtering van bijvoorbeeld het veiligheidsniveau ten opzichte van gemeenten met een vergelijkbare waarde op de index, een gemeente in één klap een aantal plaatsen kan laten dalen op de ranglijst. In deel III van de Atlas is een ranglijst opgenomen van de grootste stijgers en dalers op de woonaantrekkelijkheidsindex over de laatste tien jaar. Daar is de ontwikkeling op de feitelijke scores getoond. De ontwikkeling van de score kan vanzelfsprekend afwijken van de ontwikkeling in rangnummers. De scores op de woonaantrekkelijkheidsindex zijn met terugwerkende kracht gecorrigeerd voor gemeentelijke herindelingen. Daardoor kunnen de rangscores voor vroegere jaren in deze Atlas enigszins afwijken van die in eerdere Atlassen (zie hierboven).

 

Sociaal-economische index

De sociaal-economische index bestaat uit het aandeel personen in de bijstand, het werkloosheidspercentage, het aandeel arbeidsongeschikten, het percentage huishoudens met een inkomen lager dan 105% van het sociaal minimum, het aandeel personen met een lage opleiding, de netto participatiegraad van vrouwen, de werkgelegenheid (het aantal banen in de gemeente als percentage van de beroepsbevolking) en het percentage banen in groeisectoren (financiële en zakelijke dienstverlening). De samenstelling van de sociaal-economische index is niet afgeleid uit een kwantitatieve analyse, maar gebaseerd op kwalitatieve kennis over arbeidsmarkt, werkgelegenheid en lokale economie. Voor het bepalen van de index is per kenmerk de rangorde van de gemeenten bepaald. Het rangnummer wordt gedeeld door vijftig om de score van de gemeente op een bepaald onderdeel te verkrijgen. De sociaal-economische index is de som van die scores en wordt op zijn beurt weer gesorteerd op rang. De gemeente met rangnummer 1 heeft de beste sociaal-economische positie.

 

Sociaal-economische index door de tijd

De sociaal-economische index door de tijd laat de ontwikkeling van de positie (rangnummers) op de sociaal-economische index zien. Gemeentelijke herindelingen blijken effect te hebben gehad op de sociaal-economische positie van gemeenten. Op basis van nieuwe gemeente-indelingen is de sociaal-economische index voor eerdere jaren herberekend. De Atlas gaat elk jaar van de nieuwste gemeente-indeling en de nieuwste beschikbare cijfers uit, en houdt die ook aan voor de eerdere jaren. Daardoor kunnen ook voor de oudere jaren lichte wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de index in de vorige Atlas, maar is wel de vergelijkbaarheid door de tijd gegarandeerd. Dit jaar is bovendien overgestapt op de nieuwe Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS. Ook de historische scores zijn daaraan aangepast, waardoor die afwijken van de scores van gemeenten in eerdere edities van deze Atlas. De nieuwe EBB is op drie belangrijke punten anders. Het urencriterium is aangepast van twaalf naar één; nu is iedereen die minimaal één uur per week werkt of wil werken werkend of werkzoekend. De maximum leeftijd van de potentiële beroepsbevolking is verhoogd van 64 naar 74 jaar. En de eenjaarscijfers zijn nu goed bruikbaar, terwijl daar voorheen teveel schommelingen in zaten.

 

Pagina 2 Bevolking

 

Elke tweede pagina in deel II van de Atlas bevat grafieken met informatie over de ontwikkeling en de samenstelling van de bevolking van de betreffende gemeente, vergeleken met het gemiddelde van de vijftig grootste gemeenten.

 

Bevolking

De totale omvang van de bevolking in de gemeente (bron: CBS, BRP en GBA).

 

Potentiële beroepsbevolking

De totale omvang van de bevolking van vijftien jaar tot de AOW-leeftijd in de gemeente (bron: CBS, BRP en BGA). Er wordt algemeen vanuit gegaan dat dit het deel van de bevolking is dat in principe zou kunnen werken. De potentiële beroepsbevolking is uitgedrukt als percentage van de totale bevolking. In deel III (de ranglijsten) is ook de ontwikkeling van de potentiële beroepsbevolking (gemiddelde percentuele ontwikkeling per jaar) over de laatste tien jaar opgenomen.

 

Vergroening

Het aantal mensen tussen 15 en 29 jaar als percentage van de totale bevolking in de gemeente (bron: CBS, BRP en GBA).

 

Vergrijzing

Het aantal mensen van de AOW-leeftijd en ouder als aandeel van de totale bevolking in de gemeente (bron: CBS, BRP en GBA).

 

Niet-westerse allochtonen

Het aantal niet-westerse allochtonen als percentage van de totale bevolking (bron: CBS, BRP en GBA). Allochtonen zijn alle personen van wie minstens één ouder in het buitenland is geboren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen personen die zelf ook in het buitenland zijn geboren (de eerste generatie) en personen die in Nederland zijn geboren (de tweede generatie). Autochtonen zijn personen van wie de beide ouders in Nederland ter wereld kwamen, ongeacht het land waar zij zelf zijn geboren. In bijvoorbeeld Australië geboren kinderen van Nederlandse emigranten worden dus niet tot de allochtonen gerekend. De groep allochtonen is door het CBS op grond van het geboorteland van de persoon onderverdeeld in westers en niet-westers, tenzij de persoon in Nederland is geboren. In dat geval is de onderverdeling in westers en niet-westers bepaald aan de hand van het geboorteland van de moeder. Is die ook in Nederland geboren, dan is het geboorteland van de vader bepalend voor de onderverdeling in westers en niet-westers. Tot de categorie niet-westers behoren allochtonen uit Turkije, Afrika, Latijns-Amerika en Azië, met uitzondering van Japan en Indonesië.

 

Segregatie van niet-westerse allochtonen

Als maat voor de ongelijke verdeling van bevolkingsgroepen binnen gemeenten is een nieuwe segregatie-index ontwikkeld. De index gaat uit van het aantal mensen in de gemeente dat zou moeten verhuizen om buurten te krijgen met exact dezelfde samenstelling van de bevolking. Die index kan bijvoorbeeld worden gemaakt voor leeftijd, opleiding, inkomen, vermogen, werkloosheid en afkomst. In deze Atlas is de segregatie-index voor niet-westerse allochtonen gepresenteerd. De indexscore loopt uiteen van 0 tot 1. Een waarde 1 geeft aan dat er sprake is van volledige ruimtelijke segregatie. In dat geval zou de helft van de bevolking in de gemeente moeten verhuizen om een volledig gelijke verdeling van niet-westerse allochtonen over de buurten in de gemeente te krijgen. Een waarde 0 geeft aan dat er sprake is van een volledig gelijke verdeling over de buurten in de gemeente. In de praktijk van de vijftig grootste gemeenten die in deze Atlas zijn opgenomen ligt de score op de segregatie-index tussen de 0 en de 0,4. In dat laatste geval zou ongeveer twintig procent van de bevolking in een gemeente moeten verhuizen om een gelijke verdeling te krijgen.

 

Eenpersoonshuishoudens

Het aantal eenpersoonshuishoudens als percentage van het totaal aantal huishoudens in de gemeente (bron: CBS, BRP en GBA).

 

Gezinnen met kinderen

Aantal gezinnen met kinderen als percentage van het totaal aantal huishoudens in de gemeente (bron: CBS, BRP en GBA).

 

Laagopgeleiden

Het aantal personen met maximaal een lagere opleiding als percentage van de beroepsbevolking in de gemeente. Onder lager onderwijs vallen de opleidingen op niveau 1, 2 en 3 van de zogenoemde SOI. Dit is het gehele basisonderwijs en de eerste fase van het voortgezet onderwijs: lbo, vbo, vmbo, mavo en de eerste drie leerjaren van havo en vwo, plus het laagste niveau van het beroepsonderwijs (bron: CBS/EBB).

 

Eenoudergezinnen

Het aantal huishoudens met kinderen en slechts één ouder, als percentage van de potentiële beroepsbevolking (bron: CBS, BRP en GBA).

 

Pagina 3 Economie

 

In deel II wordt op elke derde pagina de sociaal-economische situatie in een gemeente onder de loep genomen. Dit jaar is voor veel indicatoren op deze pagina overgestapt op de nieuwe Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS (zie beschrijving hierboven). Dat is ook met terugwerkende kracht gedaan, waardoor de scores voor oudere jaren afwijken van die in eerder edities van deze Atlas.

 

Werkgelegenheid

De werkgelegenheid is de geïndexeerde (2005=100) ontwikkeling van het totaal aantal banen in de gemeente. Het gaat hier om banen van werknemers, zelfstandigen zijn hierin niet meegeteld. In 2006 is het CBS overgestapt op een nieuw registratiesysteem dat is gebaseerd op de Polisadministratie welke wordt beheerd door het UWV Werkbedrijf en is gevuld met werknemersgegevens uit de loonaangiften die werkgevers bij de Belastingdienst indienen. Om de vergelijkbaarheid met de tijdreeksen in eerdere Atlassen te continueren is met behulp van LISA-data (www.lisa.nl) voor 2007 een ‘las’ gemaakt tussen de oude EWL-data van het CBS en de nieuwe regionale werkgelegenheidsdata gebaseerd op de Polisadministratie.

 

Zakelijke diensten

Aantal banen in de financiële en zakelijke dienstverlening als percentage van het totaal aantal banen (bron: CBS en Lisa). Daarbij is uitgegaan van de SBI08-indeling van het CBS, terwijl in de vorige edities van de Atlas nog werd uitgegaan van de SBI93-indeling. De scores van eerdere jaren zijn opnieuw berekend op basis van de nieuwe indeling waardoor die afwijken van de eerdere edities van de Atlas.

 

Bijstand

Het aantal personen dat afhankelijk is van een bijstandsuitkering als percentage van de bevolking tussen achttien jaar en AOW-leeftijd (bron: CBS).

 

Werkloosheid

Aantal werklozen als percentage van de beroepsbevolking (bron: CBS, EBB).

 

Arbeidsongeschiktheid

Het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA, WAO, WAZ en Wajong) als percentage van de beroepsbevolking (bronnen: CBS en UWV Werkbedrijf).

 

Participatie vrouwen

Aantal vrouwen dat werkt als percentage van de vrouwelijke beroepsbevolking (bron: CBS, EBB).

 

Armoede

Het percentage huishoudens met een inkomen lager dan 105% van het sociaal minimum (bron: CBS, RIO). Het percentage huishoudens met een minimuminkomen wordt berekend door het aantal arme huishoudens te delen door het aantal particuliere huishoudens, exclusief studentenhuishoudens. In de vorige edities was de indicator voor armoede gebaseerd op een modelschatting op basis van de systematiek van COELO. Daarom kunnen scores in eerdere edities van de Atlas afwijken.

 

Kans op werk voor laagopgeleiden

Het aantal banen dat geschikt is voor lager opgeleiden en zich binnen acceptabele reistijd van de laagopgeleiden in de gemeente bevindt, gedeeld door het aantal lager opgeleiden dat om die banen concurreert. Een score van honderd procent betekent dat er in principe voor iedere laagopgeleide in de gemeente (binnen acceptabele reistijd) een baan beschikbaar is.

 

Verdringing

Het aantal middelbaar en hoger opgeleiden dat werkzaam is in een baan die geschikt is voor lager opgeleiden, als percentage van het aantal lager opgeleiden in de gemeente. Dit is een maat voor verdringing van lager opgeleiden van de arbeidsmarkt. Dit percentage kan worden afgetrokken van het percentage dat de kans op werk weergeeft, waarna de netto kans op werk voor de lager opgeleiden in de gemeente (rekening houdend met verdringing) wordt verkregen.

 

Productie onder water

De totale productie in de gemeente (toegevoegde waarde, ofwel: het bruto gemeentelijk product) dat zich onder zeeniveau bevindt, als percentage van de totale productie in de gemeente (het BGP).

 

Productie met overstromingsrisico

De totale productie in de gemeente (toegevoegde waarde, ofwel: het bruto gemeentelijk product) dat zich op een plek met overstromingsrisico bevindt, als percentage van de totale productie in de gemeente (het BGP).

 

Waterwerk

Het totaal aantal banen in aan water gerelateerde sectoren, als percentage van het totaal aantal banen in de gemeente (bron: LISA). Daarbij zijn de volgende sectoren meegenomen (op basis van de SBI08-indeling): zee- en kustvisserij, binnenvisserij, kweken van zeevis en -schaaldieren, kweken van zoetwatervis en -schaaldieren, visverwerking, bouw van schepen en drijvend materieel (geen sport- en recreatievaartuigen), bouw van sport- en recreatievaartuigen, reparatie en onderhoud van schepen, winning en distributie van water, afvalwaterinzameling en -behandeling, natte waterbouw, winkels in vis, zee- en kustvaart (passagiersvaart en veerdiensten), binnenvaart (passagiersvaart en veerdiensten), dienstverlening voor vervoer over water, verhuur en lease van schepen, groothandel in vis, schaal- en weekdieren, groothandel in watersportartikelen, groothandel in scheepsbenodigdheden en visserij-artikelen, winkels in watersportartikelen, zee- en kustvaart (vracht- en tankvaart; geen sleepvaart), zee- en kustsleepvaart, binnenvaart (vrachtvaart), binnenvaart (tankvaart), binnenvaart (sleep- en duwvaart), laad-, los- en overslagactiviteiten voor zeevaart, laad-, los- en overslagactiviteiten niet voor zeevaart, zeil- en surfscholen, zwem- en onderwatersport, roei-, kano-, zeil- en surfsport e.d., hengelsport, verzorgen van vistochten, jachthavens.

 

Pagina 4 Woonaantrekkelijkheid

 

De laatste pagina per gemeente is volledig gereserveerd voor factoren die van invloed zijn op de aantrekkingskracht van een gemeente op verhuizende huishoudens.[1] Veel van deze factoren maken ook deel uit van de woonaantrekkelijkheidsindex (zie beschrijving bij pagina 1).

 

Bereikbaarheid van banen

Bij de bereikbaarheid van banen gaat het om de bereikbaarheid van werk vanuit de gemeente, vanuit het perspectief van de inwoners (huishoudens). Ofwel: hoe goed kunnen mensen die in de betreffende gemeente wonen een gevarieerd aanbod banen in die gemeente en alle andere gemeenten in Nederland bereiken? Daarbij tellen banen die verder weg liggen minder zwaar mee dan banen dichtbij. De bereikbaarheid van banen is gebaseerd op de gemiddelde reistijdwaardering van Nederlandse werknemers. Daarbij is gerekend met werkelijke reistijden. De bereikbaarheid van banen is berekend voor de auto buiten de spits (eerste staafje in de figuur), de bereikbaarheid per auto in de spits (tweede staafje) en de bereikbaarheid per openbaar vervoer. De verschillen tussen de drie staafjes in de figuur geven aan in welke mate die bereikbaarheid verslechtert als gevolg van files (het verschil tussen het eerste en het tweede staafje), en of de gemeente in de spits beter bereikbaar is per auto of per openbaar vervoer (het verschil tussen het tweede en het derde staafje). 

 

Files

De gemiddelde extra reistijd van inwoners van de gemeente die buiten de gemeente werken als gevolg van files, uitgedrukt in minuten per dag. En de gemiddelde extra reistijd als gevolg van files voor de werknemers van de bedrijven in de gemeente die niet in de gemeente zelf wonen, uitgedrukt in minuten per werknemer per dag.

 

Podiumkunsten

Het aantal uitvoeringen in de podiumkunsten in de gemeente. Onder podiumkunsten vallen toneel (waaronder ook ballet, dans, cabaret, musical), klassieke muziek en popmuziek (waaronder ook jazz, lichte muziek en wereldmuziek). Klassieke muziek bevat ook de categorie opera. Voor het aanbod podiumkunsten is gebruikgemaakt van het aantal voorstellingen in de theaters en poppodia die aangesloten zijn bij de Vereniging voor Schouwburg en Concertgebouwdirecties (VSCD), de Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals (VNPF), het Nederlands Uitburo of die opgenomen zijn in het bestand van EM-Cultuur en waarvoor de data bij de afzonderlijke instellingen verzameld zijn.[2]

 

Restaurants

Het aantal restaurants (vestigingen) in de gemeente (bron: Lisa), per 10.000 inwoners.

 

Culinaire kwaliteit

Het kwalitatieve aanbod van restaurants is gemeten aan de hand van het oordeel van de rapporteurs van restaurantgids Lekker en de Michelingids. In de Michelingids zijn ongeveer zeventig Nederlandse restaurants opgenomen. De restaurantgids Lekker presenteert jaarlijks vijfhonderd Nederlandse kwaliteitsrestaurants. Bovendien wordt uit deze vijfhonderd een top 100 samengesteld. Om tot de culinaire kwaliteitsindicator te komen hebben gemeenten per restaurant met vermelding in de Lekker één punt gekregen. Vermelding in de top 100 leverde één bonuspunt op, en de eerste plaats nog eens één bonuspunt (in totaal dus drie punten voor het restaurant op de eerste plaats in de Lekker). Elke ster in de Michelingids leverde eveneens een punt op (een restaurant met drie sterren kreeg dus drie punten, gelijk aan een eerste plaats in de Lekker top 100). Al die punten zijn vervolgens opgeteld, zodat feitelijk een gemiddelde is genomen van het oordeel van de Lekker-rapporteurs en de Michelin-rapporteurs. De score per gemeente is tot slot gedeeld door de bevolkingsomvang. De kwaliteitsindicator is zo een maat voor de dichtheid van kwaliteitsrestaurants in een bepaalde gemeente. Die indicator is uiteindelijk weergegeven als het aantal culinaire kwaliteitspunten per 50.000 inwoners.

 

Onveiligheid

Het aantal geweldsmisdrijven en vernielingen, per 1000 inwoners in de gemeente (bron: CBS).

 

Koopwoningen

Aantal koopwoningen als percentage van de woningvoorraad. De daarvoor gehanteerde bron (Ministerie van WWI) loopt tot en met 2012. De scores voor recentere jaren zijn bepaald op basis van de woningmutaties sindsdien (bron: CBS).

 

Vooroorlogse woningen

Aantal vooroorlogse woningen (met bouwjaar voor 1940) als percentage van de woningvoorraad. De daarvoor gehanteerde bron (Ministerie van WWI) loopt tot en met 2012. De scores voor recentere jaren zijn bepaald op basis van de woningmutaties sindsdien (bron: CBS).

 

Huizenprijzen

Als indicator voor huizenprijzen is de mediane verkoopprijs in de gemeente en de bijbehorende bandbreedte opgenomen. Op die manier is niet alleen het prijsniveau, maar ook de variatie in prijzen binnen de gemeente met die in de andere gemeenten te vergelijken. De ondergrens van de bandbreedte is de laagste prijs van de 90% duurste wijken in de gemeente, de bovengrens van de bandbreedte is de hoogste prijs van de 90% goedkoopste woningen. Als basis voor deze indicator dienden de huizenprijzen per vierkante meter op 4-positie-postcodeniveau (bron: NVM).

 

Woningen onder water

Het aantal woningen met overstromingsrisico als percentage van de totale woningvoorraad in de gemeente.

 

Nieuwbouw onder water

Het aantal sinds 1995 nieuwgebouwde woningen op plekken met overstromingsrisico, als aandeel van de totale woningvoorraad. Er is bewust gekozen voor 1995 omdat dat het jaar was van de laatste grote dreiging in het rivierengebied (zie deel I van deze Atlas).

 

Nabijheid Noordzeekust

Vanuit elke woonlocatie in Nederland is de kortste reistijd tot de Noordzeekust (bron: CBS) bepaald. Die kortste reistijd tot de Noordzeekust is vervolgens gemiddeld over alle woonlocaties in de gemeenten. En dat gemiddelde per gemeente is vervolgens omgerekend tot een index tussen 0 en 1, waarbij een waarde 1 zou betekenen dat de hele gemeente aan zee ligt.

 

Nabijheid Waddenzee

Vanuit elke woonlocatie in Nederland is de kortste reistijd tot de Waddenzee (bron: CBS) bepaald. Die kortste reistijd tot de Noordzeekust is vervolgens gemiddeld over alle woonlocaties in de gemeenten. En dat gemiddelde per gemeente is vervolgens omgerekend tot een index tussen 0 en 1, waarbij een waarde 1 zou betekenen dat de hele gemeente aan zee ligt.

 

Nabijheid grote rivieren

Vanuit elke woonlocatie in Nederland is de kortste reistijd tot een van de grote rivieren bepaald. Onder grote rivieren worden de rivieren verstaan die worden gevoed door de Rijn en de Maas. Naast de Rijn en de Maas zelf zijn dat de Waal, de IJssel en de Merwede (bron: CBS Bestand Bodemgebruik). De kortste reistijd tot een van die grote rivieren is vervolgens gemiddeld over alle woonlocaties in de gemeenten. En dat gemiddelde per gemeente is vervolgens omgerekend tot een index tussen 0 en 1, waarbij een waarde 1 zou betekenen dat de hele gemeente aan een grote rivier ligt.

 

Nabijheid groot binnenwater

Vanuit elke woonlocatie in Nederland is de kortste reistijd tot groot binnenwater bepaald. Onder groot binnenwater worden het IJsselmeer en Markermeer, de Oosterschelde en Westerschelde en de Haringvliet en Grevelingen verstaan (bron: CBS Bestand Bodemgebruik). De kortste reistijd tot een van die grote binnenwateren is vervolgens gemiddeld over alle woonlocaties in de gemeenten. En dat gemiddelde per gemeente is vervolgens omgerekend tot een index tussen 0 en 1, waarbij een waarde 1 zou betekenen dat de hele gemeente aan groot binnenwater ligt.

 

Deze vier indicatoren zijn in deel II en III van de Atlas samengevoegd tot één indicator voor de nabijheid van ‘groot water’. Daarvoor zijn de vier bovengenoemde scores eenvoudigweg opgeteld.

 

Nabijheid meren

De nabijheid van meren is gebaseerd op het TOP10NL-bestand van het Kadaster. Met de bijbehorende afstandsvervalcurve is per woonlocatie bepaald hoeveel hectares aan meren er binnen acceptabele afstand van een woning liggen. Daarvan is het gemiddelde van alle woonlocaties in de gemeente genomen.

 

Water in de wijk

Voor binnenstedelijk water is de combinatie genomen van de oppervlakte aan meren en waterloop binnen een buurt/wijk. De bron daarvoor is het TOP10NL-bestand van het Kadaster. In dat bestand worden de verschillende ‘waterdelen’ in Nederland gedetailleerd afgebakend. Van die ‘waterdelen’ zijn voor het bepalen van de aanwezigheid van water in de wijk dus de meren en waterloop genomen, omdat daaronder ook vijvers, grachten en sloten vallen.

           

Watervogels   

Als extra indicator voor de aanwezigheid (en kwaliteit) van water in de wijk is de dichtheid aan watervogels als indicator opgenomen (bron: Sovon). Er zijn vogelsoorten geselecteerd die als indicator voor de aanwezigheid en kwaliteit van water zouden kunnen dienen (de zogenoemde flagship species). In de hedonische prijsmethode bleek de aanwezigheid van een combinatie van de waterhoen en de meerkoet daarvoor de beste indicatie te bieden. De indicator die in deze Atlas is opgenomen meet dus de dichtheid van deze beide soorten watervogels.

 

 

[1] Zie voor de bijbehorende analyses: G.A. Marlet, 2009: De aantrekkelijke stad (VOC Uitgevers Nijmegen).

[2] Zie voor een uitvoerige beschrijving van de gebruikte methode en bronnen: N. van den Berg, G. Marlet, R. Ponds, C. van Woerkens, 2011: Podiumpeiler 2011. Jaarlijkse monitor voor de podiumkunsten en de muziekindustrie (VOC Uitgevers, Nijmegen).