onderzoek naar wijken, gemeenten en regio's in Nederland


Hoe kunnen gemeenten sturen op geluk?


Wat is het belang van kunst en cultuur voor gemeenten?


StadsFoto

Wat zijn de sterke en zwakke punten van een gemeente, en hoe zijn die te verklaren?


Welk deel van de beroepsbevolking in de gemeente werkt en wat zijn de verklaringen voor een hoge of lage participatiegraad?


Hoe is het gesteld met de leefbaarheid in de wijken van de gemeente en wat is daar aan te doen?


In de Atlas voor gemeenten worden de vijftig grootste gemeenten van Nederland op meer dan vijftig punten vergeleken. Die vijftig gemeenten (G50) zijn geselecteerd op basis van de bevolkingsomvang op 1 januari 2003. Sindsdien is de selectie van gemeenten niet meer aangepast omdat daarmee de vergelijkbaarheid door de tijd wordt gegarandeerd, en wordt voorkomen dat door gemeentelijke herindelingen grote niet-stedelijke gemeenten zoals de gemeente Westland in de Atlas worden vergeleken met stedelijke gemeenten.

De indicatoren waarop die vijftig gemeenten in de Atlas worden vergeleken zijn onderverdeeld in de categorieën ‘algemene informatie’, ‘bevolking’, ‘sociaal-economische positie’ en ‘woonaantrekkelijkheid’. In deel II van deze Atlas is van de indicatoren uit die categorieën per gemeente (indien mogelijk) de ontwikkeling door de tijd gepresenteerd, vergeleken met het gemiddelde van de G50. In deel III is per indicator een ranglijst opgenomen met de positie van de vijftig gemeenten ten opzichte van elkaar. In dit vierde deel worden alle indicatoren beschreven die in de Atlas voor gemeenten 2017 zijn opgenomen. Van die indicatoren worden de bronnen en de manier van samenstellen beschreven. De bron geeft telkens aan waar de ruwe data vandaan komen. Die gegevens zijn meestal door de samenstellers van de Atlas bewerkt. Als geen bron vermeld staat is Atlas voor gemeenten zelf bronhouder. Een opsomming van alle gebruikte databronnen staat achter in dit deel.

 

Pagina 1 Algemene informatie


De eerste pagina per gemeente in deel II bevat algemene informatie over de gemeente: Het aantal inwoners, de geografische ligging en het grondgebruik. Bovendien zijn op deze pagina de twee samengestelde indices gepresenteerd: de sociaal-economische positie en de woonaantrekkelijkheid.

Naam gemeente

De samenstelling van gemeenten is herhaaldelijk gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen betreffen samenvoegingen van gemeenten. Andere wijzigingen zijn grenscorrecties. Dikwijls zijn er ook kleine wijzigingen waarbij slechts enkele tientallen personen en een paar huizen betrokken zijn. Daarnaast zijn er grenswijzigingen waarbij alleen een stuk grond van de ene naar de andere gemeente gaat. Een vergelijking van cijfers uit verschillende jaren is niet zinvol wanneer deze cijfers betrekking hebben op verschillende gemeente-indelingen. Daarom zijn alle gegevens in deze Atlas omgerekend naar de gemeente-indeling van 1 januari 2016. Voor de gemeentegrenscorrecties is gebruikgemaakt van het Historisch Bestand Gemeenten van het CBS. Dat bestand geeft van elke grenswijziging het aantal personen, het aantal woningen en het oppervlak dat is overgedragen van de ene naar de andere gemeente. Ook naamswijzigingen zijn hierin opgenomen. Met behulp van de gegevens uit dat bestand is voor elke gemeente berekend hoeveel procent van de inwoners, woningen en oppervlakte in de nieuwe indeling bestaat uit inwoners, woningen en oppervlakte van een andere gemeente uit de oude indeling. Op basis van deze berekening zijn cijfers uit een oude gemeente-indeling omgerekend naar cijfers in de nieuwe gemeente-indeling.

Aantal inwoners

De omvang van de bevolking op 1 januari 2017 (CBS, StatLine).

Rang omvang gemeente

Het rangnummer van de gemeente op basis van de bevolkingsomvang op 1 januari 2017.

Geografische ligging

Op een kaart van Nederland zijn de contouren aangegeven van alle gemeenten die in de Atlas zijn opgenomen. De op deze pagina’s beschreven gemeente is blauw ingekleurd.

Grondgebruik

De totale oppervlakte van de gemeente, en de verdeling over de categorieën bebouwing, bos en natuur, recreatie, landbouw en water (bron: CBS Bodemstatistiek).

Woonaantrekkelijkheid

De woonaantrekkelijkheidsindex laat zien hoe aantrekkelijk een gemeente gevonden wordt om in te wonen. De woonaantrekkelijkheid van een gemeente is gemeten aan de hand van een index waarin acht factoren zijn opgenomen. De factoren hebben in de index elk een eigen gewicht meegekregen. De woonaantrekkelijkheidsindex bestaat, in volgorde van gewicht, uit de bereikbaarheid van banen, het culturele aanbod (podiumkunsten), veiligheid (een gewogen samengestelde index op basis van het aantal geweldsmisdrijven en vernielingen), het aandeel koopwoningen in de woningvoorraad, de nabijheid van natuurgebieden, de kwaliteit van het culinaire aanbod, de aanwezigheid van een universiteit en het historische karakter van de stad (het percentage woningen gebouwd vóór 1945). De selectie van de factoren die deel uitmaken van de woonaantrekkelijkheidsindex en de bijbehorende wegingsfactoren zijn de uitkomst van een objectieve econometrische analyse. Dus niet op basis van een enquête en de subjectieve beleving van mensen, maar op basis van het feitelijke (woon)gedrag. Met een econometrische analyse is dat woongedrag van economisch kansrijke Nederlandse huishoudens onderzocht. De vraag naar woningen in de gemeenten is in verband gebracht met zoveel mogelijk factoren die op deze vraag van invloed zouden kunnen zijn. Op die manier is onderzocht wat de factoren zijn die de aantrekkingskracht van een stad op kansrijke bevolkingsgroepen bepalen. Bovendien wijst de analyse uit welk gewicht elke factor heeft ten opzichte van de andere factoren. Die factoren met bijbehorende wegingen leveren de woonaantrekkelijkheidsindex op. De bereikbaarheid van banen weegt daarin het zwaarst. Vanuit gemeenten in de Randstad zijn ondanks files meer banen te bereiken dan vanuit gemeenten in de grensregio’s. Daarom staan veel gemeenten in de Randstad hoog op de ranglijst van de woonaantrekkelijkheidsindex.

Ontwikkeling woonaantrekkelijkheid door de tijd

Behalve de samenstelling van de woonaantrekkelijkheidsindex voor het jaar 2017 en de positie op de ranglijst van meest aantrekkelijke gemeenten, is per gemeente ook de ontwikkeling van de relatieve positie op de ranglijst voor woonaantrekkelijkheid opgenomen. Bij sommige gemeenten zijn daarin flinke schommelingen zichtbaar. Dat komt omdat de rangnummers door de tijd worden vergeleken. Van sommige gemeenten liggen de waardes van de woonaantrekkelijkheidsindex dicht bij elkaar. Het gevolg daarvan is dat een lichte verslechtering van bijvoorbeeld het veiligheidsniveau ten opzichte van gemeenten met een vergelijkbare waarde op de index, een gemeente in één klap een aantal plaatsen kan laten dalen op de ranglijst. In deel III van de Atlas is een ranglijst opgenomen van de grootste stijgers en dalers op de woonaantrekkelijkheidsindex over de laatste tien jaar. Daar is de ontwikkeling op de feitelijke scores getoond. De ontwikkeling van de score kan vanzelfsprekend afwijken van de ontwikkeling in rangnummers. De scores op de woonaantrekkelijkheidsindex zijn met terugwerkende kracht gecorrigeerd voor gemeentelijke herindelingen. Daardoor kunnen de rangscores voor vroegere jaren in deze Atlas enigszins afwijken van die in eerdere Atlassen (zie hierboven).

Sociaal-economische index
De sociaal-economische index bestaat uit het aandeel personen in de bijstand, het werkloosheidspercentage, het aandeel arbeidsongeschikten, het percentage huishoudens met een inkomen lager dan 105% van het sociaal minimum, het aandeel personen met een lage opleiding, de netto participatiegraad van vrouwen, de werkgelegenheid (het aantal banen in de gemeente als percentage van de beroepsbevolking) en het percentage banen in groeisectoren (financiële en zakelijke dienstverlening). De samenstelling van de sociaal-economische index is niet afgeleid uit een kwantitatieve analyse, maar gebaseerd op kwalitatieve kennis over arbeidsmarkt, werkgelegenheid en lokale economie. Voor het bepalen van de index is per kenmerk de rangorde van de gemeenten bepaald. Het rangnummer wordt gedeeld door vijftig om de score van de gemeente op een bepaald onderdeel te verkrijgen. De sociaal-economische index is de som van die scores en wordt op zijn beurt weer gesorteerd op rang. De gemeente met rangnummer 1 heeft de beste sociaal-economische positie.

Sociaal-economische index door de tijd

De sociaal-economische index door de tijd laat de ontwikkeling van de positie (rangnummers) op de sociaal-economische index zien. Gemeentelijke herindelingen blijken effect te hebben gehad op de sociaal-economische positie van gemeenten. Op basis van nieuwe gemeente-indelingen is de sociaal-economische index voor eerdere jaren herberekend. De Atlas gaat elk jaar van de nieuwste gemeente-indeling en de nieuwste beschikbare cijfers uit, en houdt die ook aan voor de eerdere jaren. Daardoor kunnen ook voor de oudere jaren lichte wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de index in de vorige Atlas, maar is wel de vergelijkbaarheid door de tijd gegarandeerd. Daarnaast kunnen de scores afwijken van die in eerdere edities van de Atlas omdat het CBS cijfers uit de Enquête beroepsbevolking (EBB) met terugwerkende kracht heeft aangepast en omdat voor 2016 voorlopige werkgelegenheidscijfers zijn vervangen door definitieve werkgelegenheidscijfers.

 

Pagina 2 Bevolking

 

Elke tweede pagina in deel II van de Atlas bevat grafieken met informatie over de ontwikkeling en de samenstelling van de bevolking van de betreffende gemeente, vergeleken met het gemiddelde van de vijftig grootste gemeenten. Daarbij zijn zoveel mogelijk indicatorenopgenomen waarvan bekend is dat die samenhangen met het geluk van de inwoners van de gemeente.

 

Bevolking

De totale omvang van de bevolking in de gemeente (bron: CBS/BRP).

 

Leeftijd

Het aantal mensen tussen 0 en 34 jaar, 35 en 64 jaar en van 65 en ouder als percentage van de totale bevolking in de gemeente (bron: CBS).

 

Opleiding

Het aantal personen met maximaal een lagere opleiding, een middelbare opleiding en een hogere opleiding als percentage van de beroepsbevolking in de gemeente. Onder lager onderwijs vallen de opleidingen op niveau 1, 2 en 3 van de zogenoemde SOI. Dit is het gehele basisonderwijs en de eerste fase van het voortgezet onderwijs: lbo, vbo, vmbo, mavo en de eerste drie leerjaren van havo en vwo, plus het laagste niveau van het beroepsonderwijs. Onder middelbaar onderwijs vallen een afgeronde havo en vwo opleiding en een middelbare beroepsopleiding. En onder hoger onderwijs vallen een hogere beroepsopleiding en een wetenschappelijke opleiding (bron: CBS/EBB).

 

Herkomst

Het aantal autochtonen, westerse allochtonen en niet-westerse allochtonen als percentage van de totale bevolking per 1 januari 2016 (bron: CBS). Allochtonen zijn alle personen van wie minstens één ouder in het buitenland is geboren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen personen die zelf ook in het buitenland zijn geboren (de eerste generatie) en personen die in Nederland zijn geboren (de tweede generatie). Autochtonen zijn personen van wie de beide ouders in Nederland ter wereld kwamen, ongeacht het land waar zij zelf zijn geboren. In bijvoorbeeld Australië geboren kinderen van Nederlandse emigranten worden dus niet tot de allochtonen gerekend. De groep allochtonen is door het CBS op grond van het geboorteland van de persoon onderverdeeld in westers en niet-westers, tenzij de persoon in Nederland is geboren. In dat geval is de onderverdeling in westers en niet-westers bepaald aan de hand van het geboorteland van de moeder. Is die ook in Nederland geboren, dan is het geboorteland van de vader bepalend voor de onderverdeling in westers en niet-westers. Tot de categorie niet-westers behoren allochtonen uit Turkije, Afrika, Latijns-Amerika en Azië, met uitzondering van Japan en Indonesië. De overige landen van herkomst worden als westers gezien.

 

Religie

Het aantal personen dat aangeeft religieus of niet religieus te zijn als percentage van de bevolking (bron: CBS). Bij mensen die religieus zijn is onderscheid gemaakt tussen christenen en niet-christenen. Onder christenen vallen katholieken, protestanten (gereformeerd, hervormd en PKN) en overige christenen. Onder niet-christenen vallen moslims, boeddhisten, hindoestanen en joden.

 

Gezin

Aantal stellen zonder kinderen en gezinnen met kinderen als percentage van het totaal aantal huishoudens in de gemeente (bron: CBS). Bij gezinnen met kinderen is onderscheid gemaakt tussen gezinnen met één ouder en gezinnen met twee ouders.

 

Huishouden

Het aantal een-, twee en meerpersoonshuishoudens als percentage van het totaal aantal huishoudens in de gemeente (bron: CBS).

 

Leefstijl

Onder leefstijl zijn drie categorieën opgenomen waarvan bekend is dat die samengaan met het geluksgevoel van de inwoners van een gemeente; het aantal rokers (personen in de bevolking met de antwoordcategorie ‘ja’ op de vraag: ‘rookt u wel eens?’), zware drinkers (personen in de bevolking die minstens één keer per week zes of meer - voor mannen - of vier of meer – voor vrouwen - glazen alcohol op één dag drinken) en mensen met ernstig overgewicht; personen met een BMI van 30,0 kg/m2 en hoger, als percentage van de totale bevolking (bron: maatwerk CBS; bewerking: Atlas voor gemeenten).

 

Gezondheid

De gezondheid van de inwoners van de gemeente afgemeten aan het aantal mensen dat frequent (minstens vijf keer per jaar) een huisarts bezoekt (bron: Vektis) en het aantal mensen dat medicijnen gebruikt (bron: CBS), als percentage van de totale bevolking. Bij medicijngebruik is onderscheid gemaakt tussen het totaal aantal mensen dat een of meerdere medicijnen gebruikt en het aantal mensen dat medicijnen gebruikt tegen depressie (code N05; psycholeptica en N06; psychoanaleptica uit de zogenoemde ATC-codering; een internationale indeling van medicijnen van de WHO).

 

Geluk

Om het geluksniveau in Nederlandse gemeenten te meten is gebruikgemaakt van de verschillende nationale onderzoeken die gehouden zijn in de periode 2001-2015; het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) 2001-2009, de Gezondheidsenquête 2010-2015 en het onderzoek naar Sociale Samenhang en Welzijn 2013-2015. Over de periode 2001-2015 hebben meer dan 200.000 respondenten de verschillende enquêtes ingevuld. Voor het onderzoek is gekeken naar een gemiddelde over een lange tijdsperiode om voor zoveel mogelijk gemeenten een accurate inschatting van het gemiddelde geluksniveau te kunnen krijgen. In de drie gebruikte genoemde onderzoeken zijn de volgende geluksvragen gesteld:

 

1. Tevredenheid met het leven

Kunt u op een schaal van 0 tot en met 10 aangeven in welke mate u tevreden bent met het leven dat u nu leidt. Een 0 staat voor volledig ontevreden en 10 voor volledig tevreden?

 

2. Geluksevaluatie

Kunt u op een schaal van 0 tot en met 10 aangeven in welke mate u zichzelf een gelukkig mens vindt. Een 0 staat voor erg ongelukkig en 10 voor erg gelukkig?

 

3. Recent geluk (hedonisch geluksgevoel)

Hoe vaak voelde u zich gelukkig in de afgelopen vier weken? 1 = Nooit; 2 = Zelden; 3 = Soms; 4 = Vaak; 5 = Meestal; 6 = Voortdurend

 

In deel II van de Atlas zijn deze drie rapportcijfers per gemeente opgenomen. De ranglijst in deel III toont de gemeentelijke geluksindex die is uitgedrukt in het aandeel van de inwoners dat zich gelukkig voelt. Het gemiddelde geluksniveau van de inwoners in een gemeente is berekend aan de hand van een gemiddelde score van een gemeente op de bovenstaande drie vragen. Een respondent wordt voor de afzonderlijke componenten als gelukkig beschouwd wanneer hij een 7 of hoger rapporteert op de levenstevredenheidsschaal en de geluksevaluatieschaal of een 4 of hoger op hedonisch geluksgevoel.

 

Pagina 3 Economie

 

In deel II wordt op elke derde pagina de sociaal-economische situatie in een gemeente onder de loep genomen. Daarbij zijn behalve de indicatoren die deel uitmaken van de sociaal-economische index ook zoveel mogelijk indicatoren opgenomen waarvan bekend is dat die samenhangen met het geluk van de inwoners van de gemeente.

 

Werkgelegenheid

De werkgelegenheid is de geïndexeerde (2007=100) ontwikkeling van het totaal aantal banen in de gemeente. Het gaat hier om banen van werknemers, zelfstandigen zijn hierin niet meegeteld. In 2006 is het CBS overgestapt op een nieuw registratiesysteem dat is gebaseerd op de Polisadministratie welke wordt beheerd door het UWV Werkbedrijf en is gevuld met werknemersgegevens uit de loonaangiften die werkgevers bij de Belastingdienst indienen. Om de vergelijkbaarheid met de tijdreeksen in eerdere Atlassen te continueren is met behulp van LISA-data (www.lisa.nl) voor 2007 een ‘las’ gemaakt tussen de oude EWL-data van het CBS en de nieuwe regionale werkgelegenheidsdata gebaseerd op de Polisadministratie.

 

Zakelijke diensten

Aantal banen in de financiële en zakelijke dienstverlening als percentage van het totaal aantal banen (bron: CBS en Lisa). Daarbij is uitgegaan van de SBI08-indeling van het CBS.

 

Bijstand

Het aantal personen dat afhankelijk is van een bijstandsuitkering als percentage van de bevolking tussen 18 jaar en AOW-leeftijd (bron: CBS).

 

Arbeidsongeschiktheid

Het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA, WAO, WAZ en Wajong) als percentage van de beroepsbevolking, plus het aantal arbeidsongeschikten omdat die formeel niet tot de beroepsbevolking behoren (bronnen: CBS en UWV Werkbedrijf).

 

Werkloosheid

Aantal werklozen als percentage van de beroepsbevolking (bron: CBS/EBB).

 

Werkloosheid naar leeftijd

Aantal werklozen van respectievelijk 15-24 jaar, 25-44 jaar en 45-74 jaar als percentage van de omvang van de totale beroepsbevolking in die leeftijdsklassen (bron: CBS/EBB).

 

Participatie vrouwen

Aantal vrouwen dat werkt als percentage van de vrouwelijke potentiële beroepsbevolking; iedereen van 15-74 jaar (bron: CBS/EBB).

 

Armoede

Het percentage huishoudens met een inkomen lager dan 105% van het sociaal minimum (bron: CBS/RIO). Het percentage huishoudens met een minimum inkomen wordt berekend door het aantal arme huishoudens te delen door het aantal particuliere huishoudens, exclusief studentenhuishoudens.

 

Inkomen

Het gestandaardiseerde inkomen van een huishouden verdeeld in vijf klassen (bron: CBS/RIO). De onderste twee quintielen worden conform de CBS-definitie als laag inkomen aangemerkt. Het bovenste quintiel als hoog inkomen. En de middelste twee quintielen als middeninkomen. De omvang van die groepen is genomen als percentage van het totaal aantal huishoudens in de gemeente. Studentenhuishoudens zijn daarbij buiten beschouwing gelaten.

 

Segregatie

Als maat voor de ongelijke ruimtelijke verdeling van bevolkingsgroepen is een nieuwe segregatie-index ontwikkeld. Deze index gaat uit van het aantal mensen in de gemeente dat zou moeten verhuizen om buurten te krijgen met exact dezelfde samenstelling van de bevolking. Die index is gemaakt voor werklozen (WW en WWB, bron: CBS), mensen met lage inkomens (bron: CBS/RIO) en mensen met een migratieachtergrond van niet-westerse afkomst. De indexscore loopt uiteen van 0 tot 1. Een waarde 1 geeft aan dat er sprake is van volledige ruimtelijke segregatie. In dat geval zou de helft van de bevolking in de gemeente moeten verhuizen om een volledig gelijke verdeling over de buurten in de gemeente te krijgen. Een waarde 0 geeft aan dat er sprake is van een volledig gelijke verdeling over de buurten in de gemeente. In de vijftig grootste gemeenten die in deze Atlas zijn opgenomen ligt de score op de segregatieindex tussen de 0 en de 0,4. In dat laatste geval zou ongeveer twintig procent van de bevolking in een gemeente moeten verhuizen om een gelijke verdeling te krijgen.

 

Pagina 4 Woonaantrekkelijkheid

 

De laatste pagina per gemeente is volledig gereserveerd voor factoren die van invloed zijn op de aantrekkingskracht van een gemeente op verhuizende huishoudens. Veel van deze factoren maken ook deel uit van de woonaantrekkelijkheidsindex (zie beschrijving bij pagina 1).

 

Bereikbaarheid van banen

Bij de bereikbaarheid van banen gaat het om de bereikbaarheid van werk vanuit de gemeente, vanuit het perspectief van de inwoners (huishoudens). Ofwel: hoe goed kunnen mensen die in de betreffende gemeente wonen een gevarieerd aanbod banen in die gemeente en alle andere gemeenten in Nederland bereiken? Daarbij tellen banen die verder weg liggen minder zwaar mee dan banen dichtbij. De bereikbaarheid van banen is gebaseerd op de gemiddelde reistijdwaardering van Nederlandse werknemers. Daarbij is gerekend met werkelijke reistijden. De bereikbaarheid van banen is berekend voor de auto buiten de spits (eerste staafje in de figuur), de bereikbaarheid per auto in de spits (tweede staafje) en de bereikbaarheid per openbaar vervoer. De verschillen tussen de drie staafjes in de figuur geven aan in welke mate die bereikbaarheid verslechtert als gevolg van files (het verschil tussen het eerste en het tweede staafje), en of de gemeente in de spits beter bereikbaar is per auto of per openbaar vervoer (het verschil tussen het tweede en het derde staafje).

 

Files

De gemiddelde extra reistijd van inwoners van de gemeente die buiten de gemeente werken als gevolg van files, uitgedrukt in minuten per dag.

 

Podiumkunsten

Het aantal uitvoeringen in de podiumkunsten in de gemeente. Onder podiumkunsten vallen toneel (waaronder ook ballet, dans, cabaret, musical), klassieke muziek en popmuziek (waaronder ook jazz, lichte muziek en wereldmuziek). Klassieke muziek bevat ook de categorie opera. Voor het aanbod podiumkunsten is gebruikgemaakt van het aantal voorstellingen in de theaters en poppodia die aangesloten zijn bij de Vereniging voor Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) en de Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals (VNPF), of die opgenomen zijn in de bestanden van EM-Cultuur en VVV Nederland (voorheen Nederlands Uitburo) en waarvoor de data bij de afzonderlijke instellingen verzameld zijn.

 

Culinaire kwaliteit

Het kwalitatieve aanbod van restaurants is gemeten aan de hand van het oordeel van de rapporteurs van restaurantgids Lekker en de Michelingids. In de Michelingids zijn 106 Nederlandse restaurants opgenomen. De restaurantgids Lekker presenteert jaarlijks vijfhonderd Nederlandse kwaliteitsrestaurants. Bovendien wordt uit deze vijfhonderd een top-100 samengesteld. Om tot de culinaire kwaliteitsindicator te komen hebben gemeenten per restaurant met vermelding in de Lekker één punt gekregen. Vermelding in de top-100 leverde één bonuspunt op, en de eerste plaats nog eens één bonuspunt (in totaal dus drie punten voor het restaurant op de eerste plaats in de Lekker). Elke ster in de Michelingids leverde eveneens een punt op (een restaurant met drie sterren kreeg dus drie punten, gelijk aan een eerste plaats in de Lekker top-100). Al die punten zijn vervolgens opgeteld, zodat feitelijk een gemiddelde is genomen van het oordeel van de Lekker-rapporteurs en de Michelin-rapporteurs. De score per gemeente is tot slot gedeeld door de bevolkingsomvang. De kwaliteitsindicator is zo een maat voor de dichtheid van kwaliteitsrestaurants in een bepaalde gemeente. Die indicator is uiteindelijk weergegeven als het aantal culinaire kwaliteitspunten per 50.000 inwoners.

 

Onveiligheid

Het aantal geweldsmisdrijven en vernielingen, per 1000 inwoners in de gemeente (bron: CBS).

 

Bandbreedte huizenprijzen

Als indicator voor huizenprijzen is de mediane verkoopprijs per vierkante meter in de gemeente en de bijbehorende bandbreedte opgenomen. Op die manier is niet alleen het prijsniveau, maar ook de variatie in prijzen binnen de gemeente met die in de andere gemeenten te vergelijken. De ondergrens van de bandbreedte is de laagste prijs van de 90% duurste wijken in de gemeente, de bovengrens van de bandbreedte is de hoogste prijs van de 90% goedkoopste woningen. Als basis voor deze indicator dienden de huizenprijzen per vierkante meter op 4-positie-postcodeniveau (bron: NVM).

 

Ontwikkeling huizenprijzen

De ontwikkeling van de mediane verkoopprijs per vierkante meter van de verkochte woningen in de gemeente (bron: NVM).

 

Woningvoorraad: eigendom

Aantal koopwoningen, particuliere huurwoningen en corporatiehuurwoningen als percentage van de totale woningvoorraad (bron: CBS).

 

Woningvoorraad: woningtype

Aantal meergezinswoningen en kleine (minder dan honderd vierkante meter woonoppervlakte) en grote (vanaf honderd vierkante meter woonoppervlakte) eengezinswoningen als percentage van de totale woningvoorraad (bron: CBS).

 

Woningvoorraad: bouwjaar

Aantal vooroorlogse woningen (met bouwjaar voor 1945), vroegnaoorlogse woningen (met bouwjaar tot 1970) en laatnaoorlogse woningen (met bouwjaar vanaf 1970), als percentage van de totale woningvoorraad (bron: CBS).