StadsFoto

Een analyse van (de achtergronden van) de kansen en problemen in de stad.


 

DoeMeeWijzer

Hoe groot is de kans op bevolkingskrimp in (de wijken in) uw gemeente, en wat is daaraan te doen?


 

CultuurKaart

Het culturele aanbod en de cultuurdeelname in uw gemeente in kaart gebracht.


 

BijstandWijzer

Zicht op uw lokale beleidsruimte. Hoe groot is uw invloed op de omvang van de bijstand?


 

KansKaart

Een analyse van (de achtergronden van) de kansen en problemen in de wijk.


 

 

WijkWijzer

Wat is het belang van sport en evenementen voor de aantrekkings- kracht van een stad?

Onderzoek over wijken, gemeenten en regio's in Nederland
Indicatoren in de Atlas

In de Atlas voor gemeenten worden de vijftig grootste gemeenten van Nederland op meer dan veertig punten vergeleken. Die vijftig gemeenten zijn geselecteerd op basis van de bevolkingsomvang op 1 januari 2004. Sindsdien is de selectie van gemeenten niet meer aangepast omdat daarmee de vergelijkbaarheid door de tijd wordt gegarandeerd, en wordt voorkomen dat door gemeentelijke herindelingen grote niet-stedelijke gemeenten zoals de gemeente Westland in de Atlas worden vergeleken met stedelijke gemeenten. In de toekomst is het de bedoeling om naast een Atlas voor grote stedelijke gemeenten, ook een Atlas voor de overige (niet-stedelijke) gemeenten van Nederland uit te brengen. Nu al is het mogelijk om voor een specifieke gemeente een maatwerk Atlas of een STADSFOTO te laten maken (zie voor meer informatie hierover: www.atlasvoorgemeenten.nl).

 

De indicatoren waarop de gemeenten in de Atlas worden vergeleken zijn onderverdeeld in de categorieën ‘algemene informatie’, ‘bevolking’, ‘sociaal-economische positie’ en ‘woonaantrekkelijkheid’. In deel II van deze Atlas is van de indicatoren uit die categorieën per gemeente (indien mogelijk) de ontwikkeling door de tijd gepresenteerd, vergeleken met het gemiddelde van de G50. In deel III is per indicator een ranglijst opgenomen met de positie van de vijftig gemeenten ten opzichte van elkaar. In dit vierde deel worden alle indicatoren beschreven die in de Atlas voor gemeenten 2011 zijn opgenomen. Van die indicatoren worden de bron en de manier van samenstelling vermeld. De bron geeft telkens aan waar de ruwe data vandaan komen. Een opsomming van de gebruikte bronnen staat achter in dit deel. De gegevens zijn echter in alle gevallen door de samenstellers van de Atlas grondig bewerkt. Als geen bron vermeld staat is Atlas voor gemeenten zelf bronhouder.


Pagina 1 Algemene informatie

De eerste pagina per gemeente in deel II bevat algemene informatie over de gemeente zoals het aantal inwoners, de geografische ligging en het grondgebruik. Bovendien zijn op deze pagina de samengestelde indices gepresenteerd: de sociaal-economische positie en de woonaantrekkelijkheid.

 

Naam gemeente

De samenstelling van gemeenten is herhaaldelijk gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen betreffen samenvoegingen van gemeenten. Andere wijzigingen zijn grenscorrecties. Dikwijls zijn er ook kleine wijzigingen waarbij slechts enkele tientallen personen en een paar huizen betrokken zijn. Daarnaast zijn er grenswijzigingen waarbij alleen een stuk grond van de ene naar de andere gemeente gaat. Een vergelijking van cijfers uit verschillende jaren is niet zinvol wanneer deze cijfers betrekking hebben op verschillende gemeente-indelingen. Daarom zijn alle gegevens in deze Atlas – dus ook de historische data en de data over 2010 en per 1 januari 2011 – omgerekend naar de gemeente-indeling van 18 maart 2010 (waarin is verwerkt dat de gemeente Rozenburg is toegevoegd aan de gemeente Rotterdam en dat de gemeente Arcen en Velden is toegevoegd aan de gemeente Venlo). Daarvoor is gebruikgemaakt van het Historisch Bestand Gemeenten van het CBS. Dat bestand geeft van elke grenswijziging het aantal personen, het aantal woningen en het oppervlak dat is overgedragen van de ene naar de andere gemeente. Ook naamswijzigingen zijn hierin opgenomen. Met behulp van de cijfers uit dat bestand is voor elke gemeente berekend hoeveel procent van de inwoners, woningen en oppervlakte in de nieuwe indeling bestaat uit inwoners, woningen en oppervlakte van een andere gemeente uit de oude indeling. Op basis van deze berekening zijn cijfers uit een oude gemeente-indeling omgerekend naar cijfers in de nieuwe gemeente-indeling.

 

GSB

In 1995 startte het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een programma om grootstedelijke problemen aan te pakken: het Grotestedenbeleid. Inmiddels is met 36 steden een convenant gesloten. In deze Atlas zijn vijftig gemeenten opgenomen met als criterium ten minste de kleinste GSB-stad (Lelystad) op te nemen, en dan af te ronden naar boven. Veertien van de vijftig gemeenten die in deze Atlas zijn opgenomen vallen dus niet onder het Grotestedenbeleid.

 

Aantal inwoners

De omvang van de bevolking op 1 januari 2011 (CBS, StatLine).

 

Rang omvang gemeente

Het rangnummer van de gemeente op basis van de bevolkingsomvang op 1 januari 2011.

 

Geografische ligging

Op een kaart van Nederland zijn de contouren aangegeven van alle gemeenten die in de Atlas zijn opgenomen. De op deze pagina’s beschreven gemeente is blauw ingekleurd.

 

Grondgebruik

De totale oppervlakte van de gemeenten, en de verdeling over de categorieën bebouwing, bos en natuur, recreatie, landbouw en water (bron: CBS Bodemstatistiek).

 

Woonaantrekkelijkheid

De woonaantrekkelijkheidsindex laat zien hoe aantrekkelijk een gemeente gevonden wordt om in te wonen. De woonaantrekkelijkheid van een gemeente is gemeten aan de hand van een index waarin acht factoren zijn opgenomen. De factoren hebben in de index elk een eigen gewicht meegekregen. De woonaantrekkelijkheidsindex bestaat, in volgorde van gewicht, uit de bereikbaarheid van banen, het culturele aanbod (podiumkunsten), veiligheid (een gewogen samengestelde index op basis van het aantal geweldsmisdrijven en vernielingen), het aandeel koopwoningen in de woningvoorraad, de nabijheid van natuurgebieden, de kwaliteit van het culinaire aanbod, de aanwezigheid van een universiteit en het historische karakter van de stad (het percentage woningen gebouwd vóór 1945). De selectie van de factoren die deel uitmaken van de woonaantrekkelijkheidsindex en de bijbehorende wegingsfactoren zijn de uitkomst van een objectieve econometrische analyse. Dus niet op basis van een enquête en de subjectieve beleving van mensen, maar op basis van het feitelijke (woon)gedrag. Met een econometrische analyse is dat woongedrag van economisch kansrijke Nederlandse huishoudens onderzocht. De vraag naar woningen in de gemeenten is in verband gebracht met zoveel mogelijk factoren die op deze vraag van invloed zouden kunnen zijn. Op die manier is onderzocht wat de factoren zijn die de aantrekkingskracht van een stad op kansrijke bevolkingsgroepen bepalen. Bovendien wijst de analyse uit welk gewicht elke factor heeft ten opzichte van de andere factoren. Die factoren met bijbehorende wegingen leveren de woonaantrekkelijkheidsindex op. De bereikbaarheid van banen weegt daarin het zwaarst. Vanuit gemeenten in de Randstad zijn ondanks files meer banen te bereiken dan vanuit gemeenten in de grensregio’s. Daarom staan veel gemeenten in de Randstad hoog op de ranglijst van de woonaantrekkelijkheidsindex.

 

Ontwikkeling woonaantrekkelijkheid door de tijd

Behalve de samenstelling van de woonaantrekkelijkheidsindex voor het jaar 2010 en de positie op de ranglijst van meest aantrekkelijke gemeenten, is per gemeente ook de ontwikkeling van de relatieve positie op de ranglijst voor woonaantrekkelijkheid opgenomen. Bij sommige gemeenten zijn daarin flinke schommelingen zichtbaar. Dat komt omdat de rangnummers door de tijd worden vergeleken. Van veel gemeenten liggen de waardes van de woonaantrekkelijkheidsindex dicht bij elkaar. Het gevolg daarvan is dat een lichte verslechtering van bijvoorbeeld het veiligheidsniveau ten opzichte van gemeenten met een vergelijkbare waarde op de index, een gemeente in één klap een aantal plaatsen kan laten dalen op de ranglijst. In deel III van de Atlas is een ranglijst opgenomen van de grootste stijgers en dalers op de woonaantrekkelijkheidsindex over de laatste vijf jaar. Daar is de ontwikkeling op de feitelijke scores getoond. De ontwikkeling van de score kan vanzelfsprekend afwijken van de ontwikkeling in rangnummers.

 

Sociaal-economische index

De sociaal-economische index bestaat uit het aantal personen in de bijstand, het werkloosheidspercentage, het aantal arbeidsongeschikten, het percentage huishoudens met een inkomen lager dan 105% van het sociaal minimum, het aantal personen met een lage opleiding, de netto participatiegraad van vrouwen, de werkgelegenheid (het aantal banen in de gemeente als percentage van de beroepsbevolking) en het percentage banen in groeisectoren (financiële en zakelijke dienstverlening). De samenstelling van de sociaal-economische index is niet afgeleid uit een kwantitatieve analyse, maar gebaseerd op kwalitatieve kennis over arbeidsmarkt, werkgelegenheid en lokale economie. Voor het bepalen van de index is per kenmerk de rangorde van de gemeenten bepaald. Het rangnummer wordt gedeeld door vijftig om de score van de gemeente op een bepaald onderdeel te verkrijgen. De sociaal-economische index is de som van die scores en wordt op zijn beurt weer gesorteerd op rang. De gemeente met rangnummer 1 heeft de beste sociaal-economische positie. Op elke pagina 1 van deel II staan ook de rangnummers van elk onderdeel uit de index.

 

Sociaal-economische index door de tijd

De sociaal-economische index door de tijd laat de ontwikkeling van de positie (rangnummers) op de sociaal-economische index zien. Gemeentelijke herindelingen blijken effect te hebben gehad op de sociaal-economische positie van gemeenten. Op basis van nieuwe gemeente-indelingen is de sociaal-economische index voor eerdere jaren herberekend. De Atlas gaat elk jaar van de nieuwste gemeente-indeling en de nieuwste beschikbare cijfers uit, en houdt die ook aan voor de eerdere jaren. Daardoor kunnen ook voor de oudere jaren lichte wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de index in de vorige Atlas, maar is wel de vergelijkbaarheid door de tijd gegarandeerd.

 

Pagina 2 Bevolking

Elke tweede pagina in deel II van de Atlas bevat grafieken met informatie over de ontwikkeling en de samenstelling van de bevolking van de betreffende gemeente, vergeleken met het gemiddelde van de 50 grootste gemeenten.

 

Bevolking

De totale omvang van de bevolking in de gemeente (bron: CBS).

 

Etnische diversiteit

Bij het bepalen van de etnische diversiteit in Nederlandse steden is uitgegaan van het geboorteland (in totaal komen 46 landen voor in de bevolkingsstatistiek van het CBS) van alle inwoners in de gemeente. De maat voor etnische diversiteit drukt uit hoeveel mensen van verschillende herkomst een gemiddelde inwoner van de gemeente gemiddeld zal ontmoeten.

 

Vergrijzing

Het aantal mensen van 65 jaar en ouder als aandeel van de bevolking in de gemeente (bron: CBS).

 

Vergroening

Het aantal mensen tussen 15 en 29 jaar als percentage van de totale bevolking in de gemeente (bron: CBS).

 

Laagopgeleiden

Het aantal personen met maximaal een lagere opleiding als percentage van de beroepsbevolking in de gemeente (bron: CBS/EBB). Onder lager onderwijs vallen de opleidingen op niveau 1, 2 en 3 van de zogenoemde SOI. Dit is het gehele basisonderwijs en de eerste fase van het voortgezet onderwijs: lbo, vbo, vmbo, mavo en de eerste drie leerjaren van havo en vwo, plus het laagste niveau van het beroepsonderwijs, vergelijkbaar met de huidige assistentenopleiding (mbo kwalificatieniveau 1).

 

Hoogopgeleiden

Het aantal personen met een universitaire of hbo-opleiding (de SOI-niveaus 5, 6 en 7) als percentage van de beroepsbevolking in de gemeente (bron: CBS/EBB).

 

Gezinnen met kinderen

Aantal gezinnen met kinderen als percentage van het totaal aantal gezinnen (bron: CBS).

 

Eenoudergezinnen

Het aantal jonge huishoudens met kinderen en slechts één ouder in de leeftijd tussen 20 en 39 jaar, als percentage van de potentiële beroepsbevolking (bron: CBS). Mensen die in een dergelijke gezinssituatie verkeren, blijken meer kans te hebben om werkloos te zijn.

 

Creatieve klasse

De creatieve klasse in een stad blijkt de beste indicator te zijn voor de voorraad human capital. Daarom is als indicator voor dat menselijk kapitaal de omvang van de creatieve klasse als percentage van de beroepsbevolking genomen. De Nederlandse creatieve klasse is gebaseerd op het werk van Richard Florida, dat door de samenstellers van de Atlas uitgebreid getoetst is voor en bijgesteld is op basis van de Nederlandse situatie. De Nederlandse creatieve klasse bestaat allereerst uit bedenkers van creatieve ideeën, zoals wetenschappers en onderzoekers, innovatieve ICT’ers, ingenieurs, architecten, tv-makers, journalisten en bohemians zoals musici, vormgevers, schrijvers en kunstenaars. Ook de uitvoerders van creatieve ideeën in kennisintensieve economische sectoren zijn tot de creatieve klasse gerekend: managers, specialisten, assistenten en verkopers van creatieve ideeën in de wetenschap, de geneeskunde, de high-tech en ICT, financiële, organisatorische, bedrijfskundige en juridische dienstverlening en creatieve sectoren zoals design en kunst. De cijfers over de beroepen die tot de creatieve klasse behoren zijn op gemeenteniveau verkregen uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS. Voor het samenstellen van de Nederlandse creatieve klasse zijn niet de standaard beroepsgroepen van het CBS, maar alle 1211 beroepen die in de EBB-enquête voorkomen één voor één onderverdeeld in creatieve klasse, overheid, service klasse en arbeidersklasse. Omdat de enquête wordt gehouden onder een relatief klein deel van de bevolking, en ook de creatieve klasse maar een deel van de totale beroepsbevolking is, ontstaat een relatief grote statistische onzekerheid. Voor kleinere gemeenten vertoont het aandeel van de creatieve klasse om die reden relatief grote schommelingen door de tijd. Om die onzekerheden zo min mogelijk te laten doorwerken in de gepresenteerde data is een driejaarsgemiddelde gepresenteerd.

 

Kunstenaars

Onder kunstenaars vallen schrijvers, ontwerpers en vormgevers, interieurarchitecten, componisten en musici, regisseurs, schilders en beeldhouwers, fotografen, dansers, artiesten en acteurs. Voor het bepalen van het aantal kunstenaars als percentage van de beroepsbevolking is gebruikgemaakt van de adresbestanden van verschillende kunstenaarsverenigingen, zoals Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers, GKf fotografen, Beroepsvereniging Nederlandse Interieurarchitecten, CNV Kunstenbond, Componisten 96, Gemeenschap Beeldende Kunstenaars, FNV KIEM, Nederlandse Kring van Beeldhouwers, Nederlandse Vakgroep Keramisten, Nederlandse Vereniging van Muziekinstrumentenmakers, Vereniging van Schrijvers en Vertalers en Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars. Uit de adresbestanden van die verenigingen is het aantal artistieke beroepen per gemeente samengesteld. Het aantal leden van de kunstenaarsbonden is daarvoor dus als indicatie genomen. Omdat die cijfers opgeteld lager uitkwamen dan het landelijke cijfer (de gebruikte lidmaatschapcijfers hebben natuurlijk geen 100% dekking), is dat aantal herschaald op basis van de provinciale cijfers die wel via het CBS verkrijgbaar zijn. Behalve het aantal kunstenaars in de stad als percentage van de beroepsbevolking is ook het ruimtelijke gemiddelde meegenomen waarin dus ook het aantal kunstenaars in de regio meetelt.

 

Theaterbezoek

Het aantal keren dat inwoners van een gemeente naar verwachting een bezoek brengen aan een concert of theatervoorstelling. Daarbij zijn alle voorstellingen die vallen onder de podiumkunsten meegenomen: toneel, cabaret, dans, opera, musical en concerten (pop, jazz, klassiek). Het cultuurbereik is gebaseerd op de AVO-enquête (Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek) van het SCP. Uit die enquête volgen behalve het jaarlijkse bezoek aan culturele instellingen, ook de persoonskenmerken van de respondent. Daarmee is een meervoudige regressieanalyse uitgevoerd. Uit die analyse blijkt dat het bezoek aan concerten en theatervoorstellingen zowel kan worden verklaard uit persoonskenmerken, vooral het opleidingsniveau, als uit het theateraanbod. Hoger of middelbaar opgeleiden bezoeken significant vaker een concert of theater. Datzelfde geldt voor jongeren tot 30 jaar. Tussen 30 en 50 jaar is de bezoekfrequentie significant lager, net als onder niet-westerse allochtonen. Ook het regionale aanbod podiumkunsten blijkt het cultuurbereik significant positief te beïnvloeden. Op basis van de coëfficiënten uit die regressieanalyse en de bevolkingssamenstelling en het theateraanbod in de gemeente is het gemiddelde cultuurbereik per gemeente geschat.

 

Museumbezoek

Het aantal keren dat de inwoners van de gemeente naar verwachting per jaar een bezoek brengen aan een museum. Het museumbezoek is gebaseerd op de AVO-enquête (Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek) van het SCP. Uit die enquête volgen behalve het jaarlijkse bezoek aan musea, ook de persoonskenmerken van de respondent. In een meervoudige regressieanalyse is het museumbezoek verklaard uit enerzijds persoonskenmerken, en anderzijds het museumaanbod in stad en regio. Uit die analyse blijkt dat een hoog museumbezoek vooral wordt verklaard uit het aandeel hoger of middelbaar opgeleiden en het regionale museumaanbod. Anders dan bij het bezoek aan theaters en concerten blijkt het museumbezoek niet onder jongeren, maar juist onder ouderen (vanaf 40 jaar) significant hoger te zijn. Etnische afkomst bleek niet significant van invloed op het museumbezoek. Op basis van de coëfficiënten uit die regressieanalyse en de bevolkingssamenstelling van de gemeenten is het gemiddelde museumbezoek per gemeente geschat.


Pagina 3 Sociaal-economische positie

In deel II wordt op elke derde pagina de sociaal-economische situatie van een gemeente onder de loep genomen. Veel van de hier gepresenteerde factoren maken ook deel uit van de sociaal-economische index (zie beschrijving bij pagina 1).

 

Werkgelegenheid

De werkgelegenheid is de geïndexeerde (2000=100) ontwikkeling van het totaal aantal banen in de gemeente. Het gaat hier om banen van werknemers, zelfstandigen zijn hierin niet meegeteld. In 2006 is het CBS overgestapt op een nieuw registratiesysteem dat is gebaseerd op de Polisadministratie welke beheerd wordt door het UWV Werkbedrijf en is gevuld met werknemersgegevens uit de loonaangiften die werkgevers bij de Belastingdienst indienen. Om de vergelijkbaarheid met de tijdreeksen in eerdere Atlassen te continueren is met behulp van LISA-data (www.lisa.nl) voor 2007 een ‘las’ gemaakt tussen de oude EWL-data van het CBS en de nieuwe regionale werkgelegenheidsdata gebaseerd op de Polisadministratie.

 

Netto participatiegraad

Het aantal werkzame personen, als aandeel van de totale potentiële beroepsbevolking (alle mensen tussen 15 en 64 jaar). Werkzame personen zijn personen die het grootste deel van hun inkomen verkrijgen uit arbeid (bron: CBS, RIO). Tot de participanten behoren enerzijds mensen die zonder steun van de overheid werken; mensen die zichzelf redden als werknemer of als zelfstandige. En anderzijds mensen die met ondersteuning van de overheid deelnemen aan het arbeidsproces (via gesubsidieerde arbeid, sociale werkvoorziening of loonkostensubsidies).

 

Arbeidsongeschiktheid

Het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA, WAO, WAZ en Wajong) als percentage van de beroepsbevolking (bronnen: CBS en UWV Werkbedrijf).

 

Bijstand

Het aantal personen met een WWB- (Wet Werk en Bijstand), IOAZ- (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen), of IOAW-uitkering (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers) als percentage van de bevolking tussen 20 en 64 jaar (bron: CBS).

 

Langdurige werkloosheid

Het aantal langdurig werklozen in de gemeente is het aantal zogenoemde niet-werkende werkzoekenden dat meer dan drie jaar werkloos is (bron: UWV Werkbedrijf). Het aantal langdurig werklozen is genomen als percentage van de beroepsbevolking. De omvang van de totale beroepsbevolking in de gemeente is gebaseerd op de EBB van het CBS. Om te corrigeren voor schommelingen die het gevolg zijn van afrondingen in verband met de geringe steekproefgrootte van de EBB is hiervoor het driejaarsgemiddelde gebruikt.

 

Armoede

Het percentage huishoudens met een inkomen lager dan 105% van het sociaal minimum. Dat percentage is gebaseerd op een modelschatting dat het aantal huishoudens met een inkomen lager dan 105% van het sociaal minimum schat op basis van het aantal inwoners en het aantal 65-plussers (bron: CBS, StatLine), het aantal ontvangers van een bijstandsuitkering (ABW, IOAW en IOAZ, bron: CBS, StatLine), het aantal ontvangers van een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA, WAO, WAZ en Wajong, bronnen: CBS StatLine en UWV Werkbedrijf) en het aantal ontvangers van een WW-uitkering (bronnen: CBS StatLine en UWV Werkbedrijf). Het percentage huishoudens met een minimuminkomen wordt vervolgens berekend door het aantal arme huishoudens te delen door het aantal particuliere huishoudens exclusief studentenhuishoudens.

 

Creatieve bedrijfstakken

Het aantal banen in creatieve bedrijfstakken als percentage van het totaal aantal banen in de gemeente. Creatieve bedrijfstakken (creative industries) zijn ‘bedrijfstakken die een esthetische en symbolische waarde toevoegen en/of de gebruiker of consument van producten ‘betekenis’ verschaffen en appelleren aan een bepaalde lifestyle’. Tot de creatieve bedrijfstakken behoren niet alleen de kunsten, maar ook de media en de creatieve zakelijke dienstverlening. De definitie komt van Paul Rutten, net als die voor de deelsectoren kunsten en cultureel erfgoed, media en entertainment en creatieve zakelijke diensten.

 

Kunsten en cultureel erfgoed

Aandeel banen in de sector kunsten en cultureel erfgoed (bron: LISA). Hieronder vallen onder andere banen in de dienstverlening voor uitvoerende kunst, schrijven en overige scheppende kunst, beoefening van podiumkunst, banen bij openbare bibliotheken en kunstuitleencentra, musea, kunstgalerieën en expositieruimten.

 

Media en entertainment

Aandeel banen in de sector media en entertainment (bron: LISA). Hieronder vallen onder andere banen bij uitgeverijen van boeken, kranten, tijdschriften en computerspellen, bioscopen, radio- en televisie-omroepen, persagentschappen, fotografie, pret- en themaparken.

 

Creatieve zakelijke diensten

Aandeel banen in de creatieve zakelijke dienstverlening (bron: LISA). Hieronder vallen public relationsbureaus, architecten, reclamebureaus, handel in advertentieruimte en –tijd, industrieel ontwerp en vormgeving en het organiseren van congressen en beurzen. 

 

Pagina 4 Woonaantrekkelijkheid

De laatste pagina per gemeente is volledig gereserveerd voor factoren die van invloed zijn op de aantrekkingskracht van een gemeente op verhuizende huishoudens. Veel van deze factoren maken ook deel uit van de woonaantrekkelijkheidsindex (zie beschrijving bij pagina 1).

 

Bereikbaarheid van banen

Bij de bereikbaarheid van banen gaat het om de bereikbaarheid van werk vanuit de gemeente, vanuit het perspectief van de inwoners (huishoudens). Ofwel: hoe goed kunnen mensen die in de betreffende gemeente wonen een gevarieerd aanbod banen in die gemeente en alle andere gemeenten in Nederland bereiken? Daarbij tellen banen die verder weg liggen minder zwaar mee dan banen dichtbij. De bereikbaarheid van banen is gebaseerd op de gemiddelde reistijdwaardering van Nederlandse werknemers. Daarbij is gerekend met werkelijke reistijden. De bereikbaarheid van banen is berekend voor de auto buiten de spits (eerste staafje in de figuur), de bereikbaarheid per auto in de spits (tweede staafje) en de bereikbaarheid per openbaar vervoer. De verschillen tussen de drie staafjes in de figuur geven aan in welke mate die bereikbaarheid verslechtert als gevolg van files (het verschil tussen het eerste en het tweede staafje), en of de gemeente in de spits beter bereikbaar is per auto of per openbaar vervoer (het verschil tussen het tweede en het derde staafje). Bron: Rijkswaterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS).

 

Huizenprijzen

Als indicator voor huizenprijzen is de mediane verkoopprijs in de gemeente en de bijbehorende bandbreedte opgenomen. Op die manier is niet alleen het prijsniveau, maar ook de variatie in prijzen binnen de gemeente met die in de andere gemeenten te vergelijken. De ondergrens van de bandbreedte is de laagste prijs van de 90% duurste wijken in de gemeente, de bovengrens van de bandbreedte is de hoogste prijs van de 90% goedkoopste woningen. Als basis voor deze indicator dienden de huizenprijzen per vierkante meter op 4-positie-postcodeniveau (bron: NVM).

 

Restaurants

Het aantal restaurants in de gemeente per 10.000 inwoners (bron: Bedrijfschap Horeca en Catering).

 

Cafés

Aantal cafés in de gemeente per 10.000 inwoners (bron: Bedrijfschap Horeca en Catering).

 

Culinaire kwaliteit

Het kwalitatieve aanbod van restaurants is gemeten aan de hand van het oordeel van de rapporteurs van restaurantgids Lekker en de Michelingids. In de Michelingids zijn ongeveer zeventig Nederlandse restaurants opgenomen. De restaurantgids Lekker presenteert jaarlijks vijfhonderd Nederlandse kwaliteitsrestaurants. Bovendien wordt uit deze vijfhonderd een top 100 samengesteld. Om tot de culinaire kwaliteitsindicator te komen hebben gemeenten per restaurant met vermelding in de Lekker één punt gekregen. Vermelding in de top 100 leverde één bonuspunt op, en de eerste plaats nog eens één bonuspunt (in totaal dus drie punten voor het restaurant op de eerste plaats in de Lekker). Elke ster in de Michelingids leverde eveneens een punt op (een restaurant met drie sterren kreeg dus drie punten, gelijk aan een eerste plaats in de Lekker top 100). Al die punten zijn vervolgens opgeteld, zodat feitelijk een gemiddelde is genomen van het oordeel van de Lekker-rapporteurs en de Michelin-rapporteurs. De score per gemeente is tot slot gedeeld door de bevolkingsomvang. De kwaliteitsindicator is zo een maat voor de dichtheid van kwaliteitsrestaurants in een bepaalde gemeente. Die indicator is uiteindelijk weergegeven als het aantal culinaire kwaliteitspunten per 50.000 inwoners.

 

Culinaire diversiteit

De culinaire diversiteit is het aantal verschillende restauranttypes dat voorkomt in de gemeente. Die restauranttypes zijn gebaseerd op het onderscheid naar 130 ‘keukens’ dat gemaakt wordt op dinnersite.nl.

 

Podiumkunsten

Het aantal theatervoorstellingen en concerten in de gemeente, opgesplitst in drie categorieën: theatervoorstellingen, klassieke muziek en popmuziek. Onder de categorie theater vallen toneel, ballet, dans, cabaret, musical. Onder popmuziek vallen ook jazz, lichte muziek en wereldmuziek. Klassieke muziek bevat ook de categorie opera (bron: VSCD, VNPF, Muziek Centrum Nederland, Nederlands Uitburo). Voor het aanbod podiumkunsten is gebruikgemaakt van het aantal voorstellingen in de theaters en poppodia die aangesloten zijn bij de Vereniging voor Schouwburg- en Concertgebouwdirecteuren (VSCD), de Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals (VNPF) en het Muziek Centrum Nederland (MCN), of die zijn opgenomen in het theaterbestand van het Theaterinstituut Nederland (TIN) en waarvoor de data bij de afzonderlijke instellingen verzameld zijn. Het culturele aanbod per gemeente is gecorrigeerd voor het aantal inwoners.

 

Musea beeldende kunst

Het aantal musea voor beeldende kunst in de gemeente per 100.000 inwoners gebaseerd op de data van de Nederlandse Museumvereniging.

 

Musea cultuurhistorisch

Het aantal cultuurhistorische musea in de gemeente per 100.000 inwoners gebaseerd op de data van de Nederlandse Museumvereniging.

 

Galerieën

Het aantal kunstgalerieën in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Nederlandse Galerie Associatie, Gouden Gids, LISA).

 

Boekwinkels

Het aantal boekwinkels in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Lijstenboek).

 

Antiquariaten

Het aantal antiquariaten in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Gouden Gids, Boek en boek).

 

Bibliotheken

Aantal bibliotheken per 1000 inwoners (bron: Vereniging van Openbare Bibliotheken).

 

Rijksmonumenten

Het aantal rijksmonumenten (objecten) in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

 

Archeologische monumenten

Het aantal archeologische monumenten (objecten) in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

 

Filmdoeken

Het aantal filmdoeken per 100.000 inwoners (bron: Nederlandse vereniging van Bioscoopexploitanten).

 

Bioscoopstoelen

Het aantal bioscoopstoelen per 1000 inwoners (bron: Nederlandse vereniging van Bioscoopexploitanten).

 

Evenementen

Het aantal publieksevenementen in de gemeente per 100.000 inwoners. Onder publieksevenementen vallen evenementen uit de categorieën beeldende kunst, maatschappij/sociaal/cultuur en podiumkunsten (bron: Respons, zie: www.respons.nl). Een publieksevenement wordt als volgt gedefinieerd: ‘Een gebeurtenis met een begin- en einddatum, die op één of meerdere locaties plaatsvindt, verplaatsbaar is en waarbij de bezoekers specifiek voor de activiteiten komen.’ In het overzicht van het aantal evenementen per gemeente is uitgegaan van evenementen die een minimum bezoekaantal hebben van 5000. Voor de gegevens over deze evenementen is waar mogelijk uitgegaan van bezoekaantallen die bekend waren over 2010. Waar nog bezoekaantallen ontbraken, is uitgegaan van gegevens over 2009 of eerder. De bezoekaantallen zijn, voor zover het de gratis toegankelijke evenementen betreft, schattingen van de bij de evenementen betrokken organisaties en instanties. Het aantal evenementen per gemeente kan afwijken van dat uit eerdere edities van de Atlas, omdat een aantal evenementen met meerdere edities per jaar zijn samengevoegd, zodat het nu alleen om unieke evenementen gaat. Respons heeft zoveel mogelijk getracht door middel van het raadplegen van meerdere bronnen tot een zo betrouwbaar mogelijke schatting te komen. Iedereen die van oordeel is dat de getoonde aantallen (aantoonbaar) onjuist zijn kan contact opnemen met Respons (www.respons.nl).

 

Voetbalindex

Als indicatie voor het aanbod aan grote sportevenementen in de gemeente is gekozen voor de aanwezigheid en prestaties van profvoetbalclubs in de gemeente. Van alle voetbalclubs die in de ere- en eerste divisie uitkomen, is de jaarlijkse stand op de ranglijst geregistreerd (bron: www.vi.nl). Aan de nummer 1 van de eredivisie zijn per jaar 100 punten toegekend, aan de nummer laatst van de eerste divisie 100 gedeeld door het aantal clubs in de ere- en eerste divisie (variërend van 36 tot 38). De punten van de tussenliggende clubs zijn naar rato, zodat de nummer laatst van de eredivisie één punteneenheid meer heeft dan de kampioen van de eerste divisie. Dat is gedaan omdat het niet te verwachten is dat degradatie uit de eredivisie onmiddellijk de aantrekkelijkheid van een gemeente aantast. Zeker niet als de club een jaar later weer terugkeert naar de eredivisie. Evenzeer zal een incidentele promotie naar de eredivisie (met opvolgende degradatie) niet onmiddellijk de aantrekkelijkheid fors vergroten. Om die reden is ook niet de score van één jaar, maar een vijfjaarsgemiddelde genomen. Tot slot zijn de punten van de clubs per gemeente opgeteld. De meeste gemeenten hebben maar één club, zodat de punten voor een gemeente meestal overeenkomen met die van de club. Uitzonderingen zijn Rotterdam met drie profclubs (Feyenoord, Sparta en Excelsior) en Eindhoven met twee clubs (Eindhoven en PSV); Rotterdam en Eindhoven staan dan ook eerste en tweede op de ranglijst van de Voetbalindex.