In de Atlas voor
Gemeenten zijn de volgende indicatoren opgenomen:
Grondgebruik
Woonaantrekkelijkheid
Woonaantrekkelijkheid zonder
geografische ligging
Ontwikkeling woonaantrekkelijkheid
door de tijd
Sociaal-economische
index
Sociaal-economische index
door de tijd
Bevolking
Agglomeratie
Vergrijzing
Regionaal arbeidspotentieel
Effect van files op de bereikbaarheid
van beroepsbevolking
Hoogopgeleiden
Hoogopgeleid arbeidspotentieel
Laagopgeleiden
Creatieve klasse
Cultuurbereik
Etnische diversiteit
Allochtonen
Segregatie van allochtonen
Jongeren
Allochtone jongeren
Studentenscene
Homoscene
Laagopgeleide jongeren
Werkgelegenheid
Werkgelegenheidsgroei
Werkgelegenheidsgroei
in de regio
Kans op een baan voor laagopgeleiden
Concentratie dienstensector
Creatieve bedrijfstakken
Kunstenaars
Breedbandverbindingen
Startende ondernemers
Sectorale diversiteit
Artistieke beroepen
Participatie vrouwen
Arbeidsongeschiktheid
Werkloosheid
Langdurige werkloosheid
Segregatie van
langdurig werklozen
Bijstand
Armoede
Kansen voor jongeren op de
arbeidsmarkt
Jeugdwerkloosheid
Bereikbaarheid van banen
Effect van files op de bereikbaarheid
van banen
Filezwaarte
Bereikbaarheid
van banen in de dienstensector
Bereikbaarheid natuur
en recreatie
Bereikbaarheid kust
en binnenwater
Geweldsmisdrijven
Leefbaarheid
Veiligheid
Culinair aanbod
Aantal restaurants
Culinaire kwaliteit
Culinaire diversiteit
Cultureel aanbod
Podiumkunsten
Beelden en boeken
Erfgoed
Historisch karakter
Historische woningvoorraad
Percentage koopwoningen
Huizenprijzen
Jeugdcriminaliteit
Overlast van jongeren
Kwaliteit onderwijs
Woonaantrekkelijkheid
jongeren
Naam gemeente
De samenstelling van gemeenten is herhaaldelijk gewijzigd.
De belangrijkste wijzigingen betreffen samenvoegingen van
gemeenten. Andere wijzigingen zijn grenscorrecties. Dikwijls
zijn er ook kleine wijzigingen waarbij slechts enkele tientallen
personen en een paar huizen betrokken zijn. Daarnaast zijn
er grenswijzigingen waarbij alleen een stuk grond van de
ene naar de andere gemeente gaat.
Een vergelijking van cijfers uit verschillende jaren is
niet zinvol wanneer deze cijfers betrekking hebben op verschillende
gemeente-indelingen. Daarom zijn alle gegevens in deze Atlas dus
ook de historische data omgerekend naar de gemeente-indeling
van 1 januari 2005. Daarvoor is gebruikgemaakt van het Historisch
Bestand Gemeenten van het CBS. Dat bestand geeft van elke
grenswijziging het aantal personen, het aantal woningen en
het landoppervlak dat is overgedragen van de ene naar de
andere gemeente. Ook naamswijzigingen zijn hierin opgenomen.
Met behulp van de cijfers uit dat bestand is voor elke gemeente
berekend hoeveel procent van de inwoners, woningen en oppervlakte
in de nieuwe indeling bestaat uit inwoners, woningen en oppervlakte
van een andere gemeente uit de oude indeling. Op basis van
deze berekening zijn cijfers uit een oude gemeente-indeling
omgerekend naar cijfers in de nieuwe gemeente-indeling.
GSB
In 1995 startte het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijkrelaties een programma om grootstedelijke problemen
aan te pakken: het grotestedenbeleid. Inmiddels is met 31
steden een convenant gesloten. In deze Atlas zijn 50 gemeenten
opgenomen met als criterium tenminste de kleinste GSB-stad
(Lelystad) op te nemen, en dan af te ronden naar boven. Negentien
van de 50 gemeenten die in deze Atlas zijn opgenomen vallen
dus niet onder het grotestedenbeleid.
Aantal inwoners
De omvang van de bevolking op 1 januari 2005 (CBS, StatLine).
Rang omvang gemeente
Het rangnummer van de gemeente op basis van de bevolkingsomvang
op 1 januari 2005.
Geografische ligging
Op een kaart van Nederland zijn de contouren aangegeven
van alle gemeenten die in de Atlas zijn opgenomen. De op
deze pagina s beschreven gemeente is rood ingekleurd
.
Grondgebruik
De totale oppervlakte van de gemeenten, en de verdeling
over de categorieën bebouwing, bos en natuur, recreatie,
landbouw en water (bron: CBS Bodemstatistiek 2000).
Woonaantrekkelijkheid
De woonaantrekkelijkheidsindex laat zien hoe aantrekkelijk
een gemeente gevonden wordt om in te wonen. De woonaantrekkelijkheid
van een gemeente is gemeten aan de hand van een index waarin
acht factoren zijn opgenomen. De factoren hebben in de index
elk een eigen gewicht meegekregen. De woonaantrekkelijkheidsindex
bestaat, in volgorde van gewicht, uit de bereikbaarheid van
banen, het culturele aanbod (podiumkunsten), veiligheid (een
gewogen samengestelde index op basis van het aantal geweldsmisdrijven
en vernielingen), het aandeel koopwoningen in de woningvoorraad,
de bereikbaarheid van natuurgebieden, de kwaliteit van het
culinaire aanbod, de aanwezigheid van een universiteit en
het historische karakter van de stad (het percentage woningen
gebouwd vóór 1945).
De selectie van de factoren die deel uitmaken van de woonaantrekkelijkheidsindex
en de bijbehorende wegingsfactoren zijn de uitkomst van een
objectieve econometrische analyse. Dus niet op basis van
een enquête en de subjectieve beleving van mensen,
maar op basis van het feitelijke (woon)gedrag. Met een cross-sectieanalyse
is dat woongedrag onderzocht. De vraag naar woningen in de
gemeenten is in verband gebracht met zoveel mogelijk factoren
die op deze vraag van invloed zouden kunnen zijn. Op die
manier is onderzocht wat de factoren zijn die de aantrekkingskracht
van een stad bepalen. Bovendien wijst de analyse uit welk
gewicht elke factor heeft ten opzichte van de andere factoren.
Die factoren met bijbehorende wegingen leveren de woonaantrekkelijkheidsindex
op.
Woonaantrekkelijkheid
zonder geografische ligging
De bereikbaarheid van banen weegt het zwaarst in de index.
Gemeenten in de Randstad zijn ondanks files allen beter bereikbaar
dan gemeenten in de periferie, omdat daar meer bevolkingsconcentraties
in de buurt zijn. Dat werkt voor die gemeenten dus in positieve
zin door in de woonaantrekkelijkheidsindex.
Om de woonaantrekkelijkheid zonder die geografische component
te kunnen beoordelen is ook de woonaantrekkelijkheid van
de gemeenten berekend, zonder rekening te houden met de factoren
waarbij geografische ligging een rol speelt: de bereikbaarheid
van banen en de bereikbaarheid van natuur. De ‘ woonaantrekkelijkheid
zonder geografische ligging’ bestaat dan nog uit het
culturele aanbod, het aantal geweldsmisdrijven en vernielingen,
het aandeel koopwoningen in de woningvoorraad, de kwaliteit
van het culinaire aanbod, de aanwezigheid van een universiteit
en het historische karakter van de woningvoorraad. De score
op die woonaantrekkelijkheidsindex zonder geografische ligging
is opgenomen in een aparte ranglijst in deel III van deze
Atlas.
Ontwikkeling woonaantrekkelijkheid
door de tijd
Behalve de samenstelling van de woonaantrekkelijkheidsindex
voor het jaar 2006 en de positie op de ranglijst van meest
aantrekkelijke gemeenten, is per gemeente ook de ontwikkeling
van de relatieve positie op de ranglijst voor woonaantrekkelijkheid
opgenomen. Bij sommige gemeenten zijn daarin flinke schommelingen
zichtbaar. Dat komt omdat de rangnummers door de tijd worden
vergeleken. Van veel gemeenten liggen de waarde van de woonaantrekkelijkheidsindex
dicht bij elkaar. Het gevolg daarvan is dat bijvoorbeeld
een lichte verslechtering van het veiligheidsniveau ten opzichte
van gemeenten met een vergelijkbare waarde op de index, een
gemeente in één klap een aantal plaatsen kan
laten dalen op de ranglijst.
Sociaal-economische
index
De sociaal-economische index bestaat uit het aantal personen
in de bijstand, het werkloosheidspercentage, het aantal arbeidsongeschikten,
het percentage huishoudens met een inkomen lager dan 105%
van het sociaal minimum, het aantal personen met een lage
opleiding, de netto participatiegraad van vrouwen, de werkgelegenheid
(het aantal banen in de gemeente als percentage van de beroepsbevolking),
het percentage banen in groeisectoren (financiële en
zakelijke dienstverlening). De samenstelling van de sociaal-economische
index is niet afgeleid uit een kwantitatieve analyse, maar
gebaseerd op kwalitatieve kennis over arbeidsmarkt, werkgelegenheid
en lokale economie.
Voor het bepalen van de index is per kenmerk de rangorde
van de gemeenten bepaald. Het rangnummer wordt gedeeld door
vijftig om de score van de gemeente op een bepaald onderdeel
te verkrijgen. De sociaal-economische index is de som van
die scores en wordt op zijn beurt weer gesorteerd op rang.
De gemeente met rangnummer 1 heeft de beste sociaal-economische
positie. Op elke pagina 1 van deel II staan ook de rangnummers
van ieder onderdeel uit de index gepresenteerd.
Sociaal-economische
index door de tijd
De sociaal-economische index door de tijd laat de ontwikkeling
van de positie (rangnummers) op de sociaal-economische index
zien. Gemeentelijke herindelingen (zoals de samenvoeging
van Deventer en Bathmen) blijken effect te hebben gehad op
de sociaal-economische positie van gemeenten. Op basis van
nieuwe gemeente-indelingen is de sociaal-economische index
voor eerdere jaren herberekend. Datzelfde geldt voor bijgestelde
cijfers voor vroegere jaren uit de Enquête Beroepsbevolking
van het CBS. De Atlas gaat elk jaar van de nieuwste gemeente-indeling
en de nieuwste beschikbare cijfers uit, en houdt die ook
aan voor de eerdere jaren. Daardoor kunnen ook voor de oudere
jaren lichte wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van
de index in de vorige Atlas, maar is wel de vergelijkbaarheid
door de tijd gegarandeerd.
Bevolking
De totale omvang van de bevolking in de gemeente (bron:
CBS).
Agglomeratie (ruimtelijke
concentratie van bevolking)
De ruimtelijke concentratie van bevolking, uitgedrukt in
het aantal mensen dat woonachtig is binnen voor woon-werkverkeer
acceptabele reistijden van de gemeente (inclusief de bevolking
in de gemeente zelf).
Vergrijzing
Het aantal 65-plussers als percentage van de totale bevolking
(bron: CBS).
Regionaal
arbeidspotentieel
De bereikbaarheid van bedrijven in de gemeente door de totale
beroepsbevolking in Nederland. Het gaat hier dus nadrukkelijk
om het perspectief van de bedrijven in de gemeente: hoe goed
zijn bedrijven in een gemeente bereikbaar door niet alleen
de eigen bevolking maar ook door potentiële werknemers
in de rest van Nederland. Het regionale arbeidspotentieel
is dus een maat voor het aantal personen dat de gemeente
binnen een bepaalde tijd kan bereiken. En dat zowel berekend
per auto buiten de spits (eerste staafje in de figuur), per
auto in de spits (het tweede staafje in de figuur) en per
openbaar vervoer (het derde staafje).
In de figuur is de bereikbaarheid van een gemeente in de
spits gerelateerd aan de best bereikbare gemeente per auto
buiten de spits (waarde 100). Het verschil tussen het eerste
en tweede staafje in de figuur geeft aan in welke mate die
bereikbaarheid verslechtert als gevolg van files.
De gemiddelde reistijd per openbaar vervoer is ook geïndiceerd
op basis van de bereikbaarheid per auto. Het derde staafje
in de figuur geeft die waarde weer. Het verschil tussen het
tweede en het derde staafje laat zien of de gemeente in de
spits beter bereikbaar is per auto of per openbaar vervoer.
Als het derde staafje hoger is dan het tweede staafje betekent
dat dus dat bedrijven in die gemeente in de ochtendspits
door potentiële werknemers gemiddeld beter met het openbaar
vervoer dan per auto bereikbaar zijn.
Het regionaal arbeidspotentieel is naar verwachting van
belang voor de bedrijven in de gemeente. Op iedere vierde
pagina in deel II van de Atlas (woonaantrekkelijkheid) is
ook het omgekeerde perspectief opgenomen: de bereikbaarheid
van banen vanuit de gemeente, vanuit het perspectief van
de inwoners van de gemeente dus.
In de inleiding van deze Atlas is een uitgebreide toelichting
opgenomen van de methode die is gebruikt voor het berekenen
van de bereikbaarheid per openbaar vervoer en per auto, en
het effect van files daarop.
Effect van files op de bereikbaarheid
van beroepsbevolking
Met hoeveel potentiele werknemers neemt de omvang van het
regionale arbeidspotentieel af als gevolg van files. Met
andere woorden: hoeveel mensen kunnen de bedrijven in de
gemeente niet meer binnen acceptabele reistijd bereiken als
gevolg van files. Op basis van files s ochtends naar
de gemeente toe, en ’ s avonds de gemeent e uit.
Hoogopgeleiden
Het aantal personen met een hoge opleiding (hbo en wo) als
percentage van de beroepsbevolking in de gemeente (bron:
CBS/EBB).
Hoogopgeleid arbeidspotentieel (ruimtelijke
concentratie van hoogopgeleide beroepsbevolking)
Hoeveel hoogopgeleiden wonen er in de regio? De ruimtelijke
concentratie van hoogopgeleide beroepsbevolking is uitgedrukt
in het aantal personen met een hbo- of universitaire opleiding
dat binnen voor woon-werkverkeer acceptabele reisafstand
van de gemeente woont (inclusief de hoogopgeleiden in de
gemeente zelf), op basis van werkelijke reistijden, rekening
houdend met files. Het idee achter deze indicator is dat
hoogopgeleiden voor veel sectoren en bedrijven een belangrijke
groep potentiële werknemers is.
Laagopgeleiden
Het aantal personen met maximaal een lagere opleiding als
percentage van de beroepsbevolking in de gemeente (bron:
CBS/EBB). Onder lager onderwijs vallen de opleidingen op
niveau 1, 2 en 3 van de zogenoemde SOI. Dit is het gehele
basisonderwijs en de eerste fase van het voortgezet onderwijs:
lbo, vbo, vmbo, mavo en de eerste drie leerjaren van havo
en vwo, plus het laagste niveau van het beroepsonderwijs,
vergelijkbaar met de huidige assistentenopleiding (mbo kwalificatieniveau
1).
Creatieve klasse
De omvang van de creatieve klasse als percentage van de
beroepsbevolking. De Nederlandse creatieve klasse is gebaseerd
op het werk van Richard Florida, dat door de samenstellers
van de Atlas uitgebreid getoetst is voor en bijgesteld is
op basis van de Nederlandse situatie. De Nederlandse creatieve
klasse bestaat allereerst uit bedenkers van creatieve ideeën,
zoals wetenschappers en onderzoekers, innovatieve ict-ers,
ingenieurs, architecten, tv-makers, journalisten en bohemians zoals
musici, vormgevers, schrijvers en kunstenaars. Ook de uitvoerders
van creatieve ideeën in kennisintensieve economische
sectoren zijn tot de creatieve klasse gerekend: managers,
specialisten, assistenten en verkopers van creatieve ideeën
in de wetenschap, de geneeskunde, de high-tech en ict, financiële,
organisatorische, bedrijfskundige en juridische dienstverlening
en creatieve sectoren zoals design en kunst. De cijfers over
de beroepen die tot de creatieve klasse behoren zijn op gemeenteniveau
verkregen uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van
het CBS. Voor het samenstellen van de Nederlandse creatieve
klasse zijn niet de standaardberoepsgroepen van het CBS,
maar alle 1211 beroepen die in de EBB-enquête voorkomen één
voor één onderverdeeld in creatieve klasse,
overheid, service klasse en arbeidersklasse. Omdat de enquête
wordt gehouden onder een relatief klein deel van de bevolking,
en ook de creatieve klasse maar een deel van de totale beroepsbevolking
is, ontstaat een relatief grote statistische onzekerheid.
Daarom zijn de cijfers door het CBS afgerond op duizendtallen.
Voor kleinere gemeenten vertoont het aandeel van de creatieve
klasse om die reden relatief grote schommelingen door de
tijd. Ook een voortschrijdend gemiddelde bleek nog erg gevoelig
voor onzekerheden in de data. Om die onzekerheden zo min
mogelijk te laten doorwerken in de gepresenteerde data is
een driejaargemiddelde gepresenteerd.
Cultuurbereik
Theaterbezoek
Het aantal keren dat inwoners van een gemeente naar verwachting
een bezoek brengen aan een concert of theatervoorstelling.
Daarbij zijn alle voorstellingen die vallen onder de podiumkunsten
meegenomen: toneel, cabaret, dans, opera, musical en concerten
(pop, jazz, klassiek). Het cultuurbereik is gebaseerd op
de AVO-enquête (Aanvullend voorzieningengebruik onderzoek)
van het SCP. Uit die enquête volgen behalve het jaarlijkse
bezoek aan culturele instellingen, ook de persoonskenmerken
van de respondent. Daarmee is een meervoudige regressieanalyse
uitgevoerd. Uit die analyse blijkt dat het bezoek aan concerten
en theatervoorstellingen zowel kan worden verklaard uit persoonskenmerken,
vooral het opleidingsniveau, als uit het theateraanbod. Hoger
of middelbaar opgeleiden bezoeken significant vaker een concert
of theater. Datzelfde geldt voor jongeren tot 30 jaar. Tussen
30 en 50 jaar is de bezoekfrequentie significant lager, net
als onder niet-westerse allochtonen. Ook het regionale aanbod
podiumkunsten blijkt het cultuurbereik significant positief
te beïnvloeden. Op basis van de coëfficiënten
uit die regressieanalyse en de bevolkingssamenstelling en
het theateraanbod in de gemeente is het gemiddelde cultuurbereik
per gemeente geschat.
Museumbezoek
Het aantal keren dat de inwoners van de gemeente naar verwachting
per jaar een bezoek brengen aan een museum. Het museumbezoek
is gebaseerd op de AVO-enquête (Aanvullend voorzieningengebruik
onderzoek) van het SCP. Uit die enquête volgen behalve
het jaarlijkse bezoek aan musea, ook de persoonskenmerken
van de respondent. In een meervoudige regressieanalyse is
het museumbezoek verklaard uit enerzijds persoonkenmerken,
en anderzijds het museumaanbod in stad en regio. Uit die
analyse blijkt dat een hoog museumbezoek vooral wordt verklaard
uit het aandeel hoger of middelbaar opgeleiden en het regionale
museumaanbod. Anders dan bij het bezoek aan theaters en concerten
blijkt het museumbezoek niet onder jongeren, maar juist onder
ouderen (vanaf 40 jaar) significant hoger te zijn. Etnische
afkomst bleek niet significant van invloed op het museumbezoek.
Op basis van de coëfficiënten uit die regressieanalyse
en de bevolkingssamenstelling van de gemeenten is het gemiddelde
museumbezoek per gemeente geschat.
Etnische diversiteit
Bij het bepalen van de etnische diversiteit in Nederlandse
steden is uitgegaan van het geboorteland (in totaal komen
46 landen voor in de bevolkingsstatistiek van het CBS) van
alle inwoners in de gemeente. De maat voor etnische diversiteit
drukt uit hoeveel mensen van verschillende herkomst een gemiddelde
inwoner van de gemeente gemiddeld zal ontmoeten.
Allochtonen
Het aantal niet-westerse allochtonen als percentage van
de totale bevolking per 1 januari 2006 (bron: CBS). Allochtonen
zijn alle personen van wie minstens één ouder
in het buitenland is geboren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt
tussen personen die zelf ook in het buitenland zijn geboren
(de eerste generatie) en personen die in Nederland zijn geboren
(de tweede generatie). Autochtonen zijn personen van wie
de beide ouders in Nederland ter wereld kwamen, ongeacht
het land waar zij zelf zijn geboren. In bijvoorbeeld Australië geboren
kinderen van Nederlandse emigranten worden dus niet tot de
allochtonen gerekend.
De groep allochtonen is door het CBS op grond van het geboorteland
van de persoon onderverdeeld in westers en niet-westers,
tenzij de persoon in Nederland is geboren. In dat geval is
de onderverdeling in westers en niet-westers bepaald aan
de hand van het geboorteland van de moeder. Is die ook in
Nederland geboren, dan is het geboorteland van de vader bepalend
voor de onderverdeling in westers en niet-westers. Tot de
categorie niet-westers behoren allochtonen uit Turkije, Afrika,
Latijns-Amerika en Azië met uitzondering van Japan en
Indonesië.
Segregatie van allochtonen
Voor de mate van segregatie van allochtonen is gebruikgemaakt
van de Wijk- en buurtstatistieken van het CBS. Per gemeente
is voor alle buurten het aantal allochtonen en autochtonen
gedeeld op het aantal allochtonen en autochtonen in de totale
gemeente. De deling van autochtonen is in mindering gebracht
op de deling van allochtonen. Hoe hoger de waarde, hoe meer
de samenstelling van die buurt afwijkt van het gemiddelde
in de gemeente. Vervolgens zijn de absolute waarden van dat
verschil voor alle buurten gesommeerd. Het resultaat is een
index die tussen 0 en 1 ligt, waarbij een waarde 0 betekent
dat het percentage allochtonen in elke buurt gelijk is aan
het percentage allochtonen in de gemeente en een waarde 1
dat alle allochtonen zich in enkele buurten concentreren.
Dus: hoe hoger de waarde, hoe groter de segregatie.
Jongeren
Het aantal jongeren tussen 15 en 29 jaar, als percentage
van de totale bevolking (bron: CBS).
Allochtone jongeren
Het aantal niet-westerse allochtonen tussen 15 en 29 jaar,
als percentage van het totaal aantal jongeren tussen 15 en
29 jaar (bron: CBS).
Studentenscene
Het aantal in de gemeente woonachtige studenten dat staat
ingeschreven aan een universiteit (bron: Informatie Beheer
Groep), als percentage van de bevolking. Niet iedere student
heeft echter studiefinanciering, en is dus ingeschreven bij
de Informatie Beheer Groep (IBG). Daarom zijn de cijfers
van het aantal woonachtige studenten volgens de IBG herschaald
met het totaal aantal studenten per instelling volgens het
CBS.
Homoscene
De totale omvang van de homoscene per gemeente is niet bekend.
Daarom is gebruikgemaakt van vier steekproeven; het aantal
leden van het COC en het aantal abonnees op de homobladen Gay
Krant, Squeeze en Expreszo. Vanzelfsprekend
zijn niet alle homoseksuelen lid van het COC of geabonneerd
op een homoblad, de zo verkregen homoscene zegt dan ook nog
niets over de omvang per gemeente, maar wel over de verschillen
in omvang tussen gemeenten. Daarom is de omvang van de homoscene
gedeeld door de totale bevolking van een gemeente en vervolgens
herschaald tot een index waarop de gemeente met de grootste
homoscene een waarde heeft van 100 en de andere gemeenten
daar proportioneel van afwijken met een waarde tussen 0 en
100.
Laagopgeleide
jongeren
Het aantal jongeren tussen 15 en 24 jaar dat alleen lager
onderwijs heeft genoten, en dat aangeeft te willen werken
(en dus behoort tot de beroepsbevolking), als percentage
van de totale bevolking tussen 15 en 24 jaar (bron: CBS,
EBB). Het gaat hier dus om dat deel van de jongeren in de
gemeente, dat niet meer op school zit en niet meer studeert
en maximaal lager onderwijs heeft gevolgd en/of afgerond
(zie beschrijving bij Laagopgeleiden voor definitie
lager onderwijs) .
Werkgelegenheid
De werkgelegenheid is het aantal banen in de gemeente (bron:
CBS, StatLine).
Werkgelegenheidsgroei
De percentuele toename van het aantal banen in de gemeente
tussen 1999 en 2004, gecorrigeerd voor eventuele gemeentegrenscorrecties.
Werkgelegenheidsgroei
in de regio
De percentuele toename van het aantal banen in de regio
(ruimtelijk gemiddelde, inclusief de gemeente zelf) tussen
1999 en 2004.
Kans op een baan voor
laagopgeleiden
Deze indicator laat zien hoeveel kans laagopgeleiden in
een bepaalde gemeente hebben op een baan. Daarvoor is allereerst
het aantal laagopgeleiden in de gemeente genomen. Vervolgens
is de beschikbaarheid van werk voor die laagopgeleiden in
de gemeente berekend. Die beschikbaarheid is afgeleid van
het aantal laagopgeleiden dat per provincie gemiddeld in
de verschillende sectoren werkzaam is. Op basis van de sectorale
structuur per gemeente is vervolgens bepaald welk deel van
de banen in elke gemeente geschikt is voor laagopgeleiden.
De beschikbaarheid van banen voor laagopgeleiden is niet
alleen het aantal banen dat in de gemeenten zelf aanwezig
is, maar ook de banen in de regio die binnen acceptabele
reistijd voor laagopgeleiden te bereiken zijn. De beschikbaarheid
van banen voor laagopgeleiden in elke gemeente is het zogenoemde
ruimtelijke gemiddelde van het aantal banen voor laagopgeleiden,
op basis van werkelijke reistijden en rekening houdend met
files. Vervolgens is berekend welke laagopgeleiden van buiten
de gemeente ook ‘in de markt zijn’ voor die banen.
Voor die concurrentie is vervolgens gecorrigeerd. Het resultaat
is een indicator die de kans op een baan voor de laagopgeleiden
in de gemeente weergeeft. Bij deze indicator wordt dus geredeneerd
vanuit het aanbod van banen: hoeveel banen zijn er beschikbaar
ten opzichte van het totale aantal aanwezige laagopgeleiden?
Concentratie
dienstensector
Het aantal banen in de financiële en zakelijke dienstverlening
als percentage van het totaal aantal banen (bron: CBS, StatLine).
Creatieve
bedrijfstakken
Het aantal banen in creatieve bedrijfstakken als percentage
van het totaal aantal banen in de gemeente. Creatieve bedrijfstakken
(creative industries) zijn “bedrijfstakken
die een esthetische en symbolische waarde toevoegen en/of
de gebruiker of consument van producten ‘betekenis’ verschaffen
en appelleren aan een bepaalde lifestyle”. Tot
de creatieve bedrijfstakken behoren niet alleen de kunsten,
maar ook de media en de creatieve zakelijke dienstverlening.
De creatieve bedrijfstakken zijn samengesteld op basis van
de werkgelegenheidsstatistieken van Lisa. In alle gevallen
zijn alleen de banen meegeteld van bedrijven die zich bezighouden
met initiële creatie, en niet (alleen) met productie,
distributie en verkoop. Schrijvers en journalisten horen
dus wel bij de creatieve bedrijfstakken; uitgevers, drukkerijen
en boekhandels niet.
Kunstenaars
Onder kunstenaars vallen schrijvers, ontwerpers en vormgevers,
interieurarchitecten, componisten en musici, regisseurs,
schilders en beeldhouwers, fotografen, dansers, artiesten
en acteurs. Voor het bepalen van het aantal kunstenaar per
gemeente is gebruikgemaakt van de gegevens van de Federatie
van Kunstenaarsverenigingen. Dat is een federatie waarbij
22 kunstenaarsverenigingen zijn aangesloten. Uit de adresbestanden
van die verenigingen is het aantal artistieke beroepen per
gemeente samengesteld. Het aantal leden van de kunstenaarsbonden
dat bij de federatie is aangesloten is daarvoor dus als indicatie
genomen. Omdat die cijfers opgeteld lager uitkwamen dan het
landelijke cijfer (de gebruikte lidmaatschapcijfers hebben
natuurlijk geen 100% dekking), is dat aantal herschaald op
basis van de provinciale cijfers die wel via het CBS verkrijgbaar
zijn. Behalve het aantal kunstenaars in de stad als percentage
van de beroepsbevolking is ook het ruimtelijke gemiddelde
meegenomen waarin dus ook het aantal kunstenaars in de regio
meetelt.
Breedbandverbindingen
Het aantal breedbandverbindingen in de gemeente per duizend
huishoudens. Het aantal breedbandverbindingen is bepaald
op basis van het bestand van Nuria (www.nuria.nl). Niet alle
breedbandgebruikers zijn echter gebruiker van de software
voor prestatiemeting van Nuria. Daarom is het aantal breedbandgebruikers
per gemeente opgehoogd met een gelijke factor zodat het totaal
aantal breedbandgebruikers overeenkomt met het landelijke
cijfer voor breedbandgebruik (bron: CBS).
Startende ondernemers
Het aantal startende ondernemers per jaar als percentage
van de beroepsbevolking. Onder startende ondernemers worden
nieuwe ondernemingen verstaan die zich voor het eerst inschrijven
bij de Kamer van Koophandel. Beginnende ondernemers die zich
niet inschrijven zijn dus niet in de statistieken opgenomen,
evenmin als oprichtingen van nieuwe activiteiten binnen een
bestaande onderneming.
Sectorale diversiteit
Voor het berekenen van de sectorale diversiteit per gemeente
is gebruikgemaakt van de zogenaamde Hirschman-Herfindahl
index. Die is een optelling van het kwadraat van het aandeel
van iedere sector in de totale werkgelegenheid. Hoe groter
de Hirschman-Herfindahl index, hoe minder diversiteit. De
in de Atlas gepresenteerde waarde is 1 min de Hirschman-Herfindahl
index, dus: hoe groter de waarde, hoe diverser de lokale
economie.
Artistieke beroepen
Tot de artistieke beroepen (ook wel: cultural of creative
industries) worden in de Atlas gerekend: schrijvers, ontwerpers
en vormgevers, interieurarchitecten, componisten en musici,
regisseurs, schilders en beeldhouwers, fotografen, dansers,
artiesten en acteurs.
Voor het bepalen van het aantal artistieke beroepen per
gemeente is gebruikgemaakt van de gegevens van de Federatie
van Kunstenaarsverenigingen. Dat is een federatie waarbij
22 kunstenaarsverenigingen zijn aangesloten. Uit de adresbestanden
van die verenigingen is het aantal artistieke beroepen per
gemeente samengesteld. Het aantal leden van de kunstenaarsbonden
die bij de federatie is aangesloten is daarvoor dus als indicatie
genomen. Omdat die cijfers opgeteld lager uitkwamen dan het
landelijke cijfer (de gebruikte lidmaatschapcijfers hebben
natuurlijk geen 100% dekking), is dat aantal herschaald op
basis van het landelijke cijfer, dat wel via het CBS verkrijgbaar
is.
Het cijfer dat in de figuur op iedere derde pagina in deel
II is gepresenteerd geeft het aantal artistieke beroepen
als aandeel van de totale werkgelegenheid weer.
Participatie vrouwen
De participatiegraad van vrouwen, gedefinieerd als de werkzame
vrouwelijke beroepsbevolking gedeeld door het totaal aantal
vrouwen tussen 15 en 64 jaar. Daarvan is vervolgens door
het CBS een driejaargemiddelde genomen (bron: CBS).
Arbeidsongeschiktheid
Het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering
(WAO, WAZ en Wajong) als percentage van de beroepsbevolking
(bronnen: CBS en UWV).
Werkloosheid
Het aantal werklozen onder de beroepsbevolking, als percentage
van de totale beroepsbevolking op basis van de Enquête
Beroepsbevolking (EBB) van het CBS. Dit cijfer geeft ook
personen weer die niet ingeschreven staan bij een Centrum
voor Werk en Inkomen (CWI), maar wel serieus op zoek zijn
naar werk. Bovendien vallen personen die wel ingeschreven
staan bij een CWI maar feitelijk niet op zoek zijn naar of
niet beschikbaar zijn voor werk buiten deze definitie.
Langdurige
werkloosheid
Het aantal langdurig werklozen in de gemeente is het aantal
zogenoemde niet-werkende werkzoekenden dat meer dan drie
jaar werkloos is (bron: CWI). Het aantal langdurig werklozen
is genomen als percentage van de beroepsbevolking. De omvang
van de totale beroepsbevolking in de gemeente is gebaseerd
op de EBB van het CBS. Om te corrigeren voor schommelingen
die het gevolg zijn van afrondingen in verband met de geringe
steekproefgrootte van de EBB is hiervan het vijfjaargemiddelde
genomen.
Segregatie
van langdurig werklozen
De mate van segregatie van langdurig werklozen geeft aan
in welke mate langdurig werklozen zich in een bepaalde gemeente
in enkele buurten concentreren. Die segregatie is berekend
als het percentage van de bevolking dat zou moeten verhuizen
om een gelijke verdeling van het aandeel langdurig werklozen
over alle buurten in de gemeente te krijgen.
Bijstand
Het aantal personen met een Abw- (Algemene bijstandswet),
IOAZ- (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen), of IOAW-uitkering (Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers)
als percentage van de bevolking tussen 20 en 64 jaar. Bij
de ABW-uitkeringen zijn tot 1996 ook de RWW-uitkeringen (Rijksgroepsregeling
Werkloze Werknemers) meegenomen (bron: CBS, StatLine).
Armoede
Het percentage huishoudens met een inkomen lager dan 105%
van het sociaal minimum. Dat percentage is gebaseerd op een
modelschatting dat het aantal huishoudens met een inkomen
lager dan 105% van het sociaal minimum schat op basis van
het aantal inwoners en het aantal 65-plussers (bron: CBS,
StatLine), het aantal ontvangers van een bijstandsuitkering
(ABW, IOAW en IOAZ, bron: CBS, StatLine), het aantal ontvangers
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO, WAZ en Wajong,
bronnen: CBS, StatLine en UWV), het aantal ontvangers van
een WW-uitkering (bronnen: CBS, StatLine en UWV). Het percentage
huishoudens met een minimuminkomen wordt vervolgens berekend
door het aantal arme huishoudens te delen door het aantal
particuliere huishoudens exclusief studentenhuishoudens.
Kansen voor jongeren
op de arbeidsmarkt
Deze indicator laat zien hoeveel kans de jongeren tussen
de 15 en 24 jaar in een bepaalde gemeente hebben op een baan.
Daarvoor is het aantal jongeren tussen de 15 en de 24 jaar
genomen dat behoort tot de beroepsbevolking, met andere woorden:
het aantal jongeren dat wil werken (bron: EBB/CBS).
Vervolgens is de beschikbaarheid van werk voor die jongeren
in de gemeente berekend. Die beschikbaarheid is afgeleid
van het aantal jongeren dat in Nederland gemiddeld in de
verschillende sectoren werkzaam is (bron: CBS). Op basis
van de sectorale structuur per gemeente is vervolgens bepaald
welk deel van de banen in iedere gemeente geschikt is voor
jongeren. De beschikbaarheid van banen voor jongeren is niet
alleen het aantal banen dat in de gemeenten zelf aanwezig
is, maar ook de banen in de regio die binnen acceptabele
reistijd voor jongeren te bereiken zijn. De beschikbaarheid
van banen voor jongeren in iedere gemeente is het zogenoemde
ruimtelijke gemiddelde van het aantal banen voor jongeren,
op basis van werkelijke reistijden.
Vervolgens is berekend welke jongeren van buiten de gemeente
ook in de markt zijn voor die banen. Voor die
concurrentie is vervolgens gecorrigeerd. Het resultaat is
een indicator die de kans op een baan voor de jongeren in
de gemeente weergeeft. De indicator redeneert dus vanuit
het aanbod van banen: hoeveel banen zijn er beschikbaar ten
opzichte van het totaal aantal aanwezige jongeren? Met kwaliteitsverschillen
tussen jongeren die van invloed zijn op de kansen op de arbeidsmarkt
houdt de indicator geen rekening.
Jeugdwerkloosheid
Het aantal jongeren tussen 15 en 24 jaar dat werk zoekt
(bron: CWI) als percentage van de beroepsbevolking tussen
15 en 24 jaar (bron: CBS). Het aantal werkloze jongeren tussen
15 en 24 jaar is het aantal zogenoemde niet-werkende werkzoekende
jongeren dat is ingeschreven bij het Centrum voor Werk en
Inkomen (CWI).
Bereikbaarheid van
banen
Bij de bereikbaarheid van banen gaat het om de bereikbaarheid
van werk vanuit de gemeente, vanuit het perspectief van de
inwoners (huishoudens). Ofwel: hoe goed kunnen mensen die
in de betreffende gemeente wonen een gevarieerd aanbod banen
in die gemeente en alle andere gemeenten in Nederland bereiken?
Daarbij tellen banen die verder weg liggen minder zwaar mee
dan banen dichtbij. De bereikbaarheid van banen is gebaseerd
op de gemiddelde reistijdwaardering van Nederlandse werknemers.
Daarbij is gerekend met werkelijke reistijden.
De bereikbaarheid van banen is berekend voor de auto buiten
de spits (eerste staafje in de figuur), de bereikbaarheid
per auto in de spits (tweede staafje) en de bereikbaarheid
per openbaar vervoer. De verschillen tussen de drie staafjes
in de figuur geven aan in welke mate die bereikbaarheid verslechtert
als gevolg van files (het verschil tussen het eerste en het
tweede staafje), en of de gemeente in de spits beter bereikbaar
is per auto of per openbaar vervoer (het verschil tussen
het tweede en het derde staafje).
Effect van files op
de bereikbaarheid van banen
Het aantal banen dat als gevolg van files vanuit de gemeente
niet meer binnen acceptabele reistijd te bereiken is. Op
basis van files s ochtends de gemeente uit en s
avonds naar de gemeente toe.
Filezwaarte
De mate waarin de bereikbaarheid van de bedrijven in de
gemeente verslechtert als gevolg van files. Het gaat hierbij
om de files in de ochtendspits naar de gemeente toe en in
de avondspits van de gemeente af. De mate van filezwaarte
drukt uit welk deel van de mensen zonder files bereid zouden
zijn voor hun werk naar de gemeente te reizen, maar als gevolg
van files niet meer bereid zijn voor hun werk te reizen.
Het is dus feitelijk het verlies aan arbeidspotentieel voor
de gemeente als gevolg van files. Een uitgebreide beschrijving
van de methode die hieraan ten grondslag ligt staat beschreven
in de Atlas voor gemeenten 2005.
Bereikbaarheid
van banen in de dienstensector
De bereikbaarheid van banen in de financiële en zakelijke
dienstverlening is op dezelfde manier berekend als de bereikbaarheid
van het totaal aantal banenaanbod in Nederland. Voor de banen
in de financiële en zakelijke dienstverlening is een
aparte indicator opgenomen omdat aangenomen wordt dat voor
een bepaalde bevolkingsgroep (zoals hoogopgeleide tweeverdieners,
de zogenaamde power couples) de bereikbaarheid van een brede
keuze aan dergelijke banen vanuit de woonplaats van groot
belang is, en dus een belangrijke rol speelt in de woonplaatskeuze.
Bereikbaarheid
natuur en recreatie
Naast de bereikbaarheid van bedrijfsconcentraties kan ook
het ontbreken daarvan van belang zijn voor woon-aantrekkelijkheid.
Daarom is behalve de bereikbaarheid van banen vanuit de gemeente
ook de bereikbaarheid van natuur en recreatieterreinen vanuit
de gemeente in de Atlas opgenomen.
De bereikbaarheid van natuur en recreatieterreinen is op
een vergelijkbare manier berekend als de bereikbaarheid van
banen. Het aantal banen is echter vervangen door de oppervlakte
van natuurgebieden en recreatieterreinen (bron: CBS, Bodemstatistiek).
Onder natuur zijn bossen, duinen en heidegebieden meegerekend.
Onder recreatieterreinen vallen bijvoorbeeld parken en plantsoenen,
pretparken en sportvelden.
Op die manier is berekend hoeveel natuur en recreatieterreinen
vanuit een gemeente binnen een bepaalde tijd bereikt kan
worden. Daarbij is gerekend met reistijden per auto, zonder
filecorrectie, omdat ervan wordt uitgegaan dat mensen buiten
de spits naar recreatiegebieden rijden. De waarderingsfunctie
is gebaseerd op het werkelijke reisgedrag van mensen ten
behoeve van recreatie. Die wijkt af van de tijdwaardering
in het woon-werkverkeer, die werd gebruikt bij het berekenen
van de bereikbaarheid van banen (zie ook de inleiding van
deze Atlas).
Een probleem met deze methode is dat alleen binnenlandse
natuur en recreatieterreinen meetellen. Daarom scoren bijvoorbeeld
Limburgse gemeenten relatief laag op deze indicatoren. Omdat
deze indicator ook deel uitmaakt van de woonaantrekkelijkheidsindex
werkt die lage score ook daarin door.
Daarom is een grensdummy gemaakt (afstand tot de dichtstbijzijnde
grens) als proxy voor de nabijheid van natuur, steden en
andere voorzieningen over de grens. Die indicator bleek echter
niet significant van invloed op de vraag naar woningen en
is dan ook niet in de woonaantrekkelijkheidsindex opgenomen.
Bereikbaarheid
kust en binnenwater
In het verlengde van de bereikbaarheid van natuur en recreatieterreinen
zijn ook maten opgenomen voor de bereikbaarheid van kust
en binnenwater.
De methode voor het berekenen van de bereikbaarheid van
binnenwater is gelijk aan die voor natuurgebieden. Alleen
is de oppervlakte natuurgebieden vervangen door de oppervlakte
binnenwater per gemeente. Ook het IJsselmeer, de Waddenzee
en de Ooster- en Westerschelde zijn hierbij meegeteld.
Voor de bereikbaarheid van de zeekust is de kortste route
vanuit een gemeente naar de Noordzeekust als maat genomen
voor de nabijheid van zee. Reistijden en reistijdwaardering
zijn conform de methode voor de nabijheid van natuur.
Geweldsmisdrijven
Het aantal geregistreerde geweldsmisdrijven per 1000 inwoners.
Geregistreerd betekent: bekend bij de politie, dat wil zeggen
schriftelijk vastgelegd in een proces-verbaal, dagrapport
of aangifteformulier (Bron: CBS).
Leefbaarheid
Het deel van de totale bevolking in de gemeente en het deel
van de kinderen tussen de 0 en 9 jaar dat in een probleemwijk
woont. Een probleemwijk is een 6-positie-postcodegebied met
een score op de leefbaarheidsindex van 50% of hoger (meer
dan de helft van de bewoners ervaart onveiligheid en overlast
in de wijk). Die grens van 50% is het punt waarop de verdeling
gaat afwijken van de normale verdeling; alle wijken met een
hogere waarde wijken dus af van die normale verdeling zodat
daar gesproken kan worden van excessieve problemen. De leefbaarheidsindex
bestaat uit een gewogen combinatie van indicatoren op het
gebied van overlast, vernielingen, diefstal en geweld in
de wijk. Die combinatie en weging volgen uit een objectieve
analyse van het woongedrag van de mensen in de wijk, en geeft
dus aan welke aspecten van leefbaarheid mensen in de wijk
zelf belangrijk vinden en in welke mate.
Veiligheid
De veiligheidsbeleving van mensen, afgemeten aan hun woongedrag,
wordt het beste verklaard door het aantal geweldsmisdrijven
en vernielingen in de stad. Een gewogen combinatie van die
indicatoren (bron: CBS) op basis van de regressieanalyse
die ten grondslag ligt aan de woonaantrekkelijkheidsindex,
is hier als indicator voor het veiligheidsniveau in de stad
gebruikt. Van die samengestelde index is steeds het driejaargemiddelde
gepresenteerd. Dit is gedaan om grote schommelingen in de
data over meerdere jaren uit te smeren.
Culinair aanbod
Het culinair aanbod in een stad is op twee manieren berekend:
het aantal restaurants en de kwaliteit van die restaurants.
Aantal restaurants
Het aantal restaurants in de gemeente per 10.000 inwoners
(bron: Bedrijfschap Horeca en Catering).
Culinaire kwaliteit
Het kwalitatieve aanbod van restaurants is gemeten aan de
hand van het oordeel van de rapporteurs van restaurantgids Lekker en
de Michelingids. In de Michelingids zijn ongeveer zeventig
Nederlandse restaurants opgenomen. De restaurantgids Lekker presenteert
jaarlijks vijfhonderd Nederlandse kwaliteitsrestaurants.
Bovendien wordt uit deze vijfhonderd een top 100 samengesteld.
Om tot de culinaire kwaliteitsindicator te komen hebben gemeenten
per restaurant met vermelding in de Lekker één
punt gekregen. Vermelding in de top 100 leverde één
bonuspunt op, en de eerste plaats nog eens één
bonuspunt (in totaal dus drie punten voor het restaurant
op de eerste plaats in de Lekker). Elke ster in
de Michelingids leverde eveneens een punt op (een restaurant
met drie sterren kreeg dus drie punten, gelijk aan een eerste
plaats in de Lekker top 100). Al die punten zijn
vervolgens opgeteld, zodat feitelijk een gemiddelde is genomen
van het oordeel van de Lekker-rapporteurs en de
Michelin-rapporteurs. De score per gemeente is tot slot gedeeld
door de bevolkingsomvang. De kwaliteitsindicator is zo een
maat voor de dichtheid van kwaliteitsrestaurants in een bepaalde
gemeente. Die indicator is uiteindelijk weergegeven als het
aantal culinaire kwaliteitspunten per 50.000 inwoners.
Culinaire diversiteit
De culinaire diversiteit is het aantal verschillende restauranttypes
dat voorkomt in de gemeente. Die restauranttypes zijn gebaseerd
op het onderscheid naar tachtig ‘keukens’ dat
gemaakt wordt op dinnersite.nl.
Cultureel aanbod
Aanbod podiumkunsten
Het aantal concerten en theatervoorstellingen dat beschikbaar
is voor de inwoners van de stad. Het gaat niet alleen om
het aanbod podiumkunsten in de gemeente zelf, maar om het
aantal voorstellingen dat door de inwoners van de gemeente
binnen acceptabele reistijd te bereiken is; het zogenoemde
ruimtelijke gemiddelde. Dat betekent dat de voorstellingen
op korte reisafstand vanuit de gemeente zwaarder tellen dan
voorstellingen waarvoor een langere reis nodig is. Er is
gebruikgemaakt van een relatief snel afvallende functie voor
reistijdwaardering, waarbij gemiddeld circa 50% van de inwoners
van een gemeente bereid is om voor het bezoeken van een theatervoorstelling
vijftien minuten te reizen, en 10% van de bevolking nog bereid
is daar gemiddeld een half uur voor te reizen. Voor het aanbod
podiumkunsten is gebruikgemaakt van het aantal voorstellingen
in de theaters en poppodia die aangesloten zijn bij de Vereniging
voor Schouwburg- en Concertgebouwdirecteuren (VSCD), de Vereniging
Nederlandse Poppodia en Festivals (VNPF) en het Nationaal
Popinstituut (NPI), of die zijn opgenomen in het theaterbestand
van het Theaterinstituut Nederland (TIN) en de VSCD en waarvoor
de data bij de afzonderlijke instellingen verzameld zijn.
Het culturele aanbod per gemeente is gecorrigeerd voor het
aantal inwoners.
Aanbod musea
Het aantal beschikbare musea voor de inwoners van de gemeente.
Het gaat niet alleen om de musea in de gemeente zelf, maar
om alle musea die door de inwoners van de gemeente binnen
acceptabele reistijd te bereiken zijn. In de kaart is een
zogenoemd ruimtelijk gemiddelde opgenomen, wat betekent dat
musea op korte reisafstand zwaarder tellen dan musea waarvoor
een langere reis nodig is. Voor het in kaart brengen van
musea is gebruikgemaakt van data van de Nederlandse Museumvereniging.
Om rekening te houden met verschillen in omvang en belang
van de musea zijn wegingsfactoren aangebracht. De rijksmusea
tellen het zwaarst mee, daarna de musea die aangesloten zijn
bij de Stichting Museumkaart of de Nederlandse Museumvereniging.
De overige musea hebben het minste gewicht. In de grafieken
is het ruimtelijke gemiddelde van dat gewogen museumaanbod
per inwoner weergegeven.
Podiumkunsten
Het aantal theatervoorstellingen en concerten zoals omschreven
bij ‘aanbod podiumkunsten’ maar dan nu alleen
het aanbod in de gemeente zelf en opgesplitst in drie categorieën:
theater, klassieke muziek en popmuziek. Onder de categorie
theater vallen toneel, ballet, dans, cabaret, musical. Onder
popmuziek vallen ook jazz, lichte muziek en wereldmuziek.
Klassieke muziek bevat ook de categorie opera.
Beelden en boeken
Filmhuizen
Het aantal filmdoeken in filmtheaters, filmhuizen, Europese
cinema’s en art houses (bron: filmtheaters.nl),
per 100.000 inwoners. Filmdoeken in (multiplex-)bioscopen
tellen hier dus niet mee.
Boekwinkels
Het aantal boekwinkels in de gemeente per 100.000 inwoners
(bron: Lisa).
Galerieën
Het aantal kunstgalerieën in de gemeente per 100.000
inwoners (bron: Telefoongids).
Erfgoed
Rijksmonumenten
Het aantal rijksmonumenten (objecten) in de gemeente (bron:
Rijksdienst voor Monumentenzorg). Er is in dit geval gekozen
voor de absolute waarde (dus niet per hoofd van de bevolking),
omdat de grachtengordel in Amsterdam niet minder fraai is
dan die van Leiden, ondanks de fors hogere bevolking in Amsterdam.
Musea
Het gewogen aantal musea in de gemeente gebaseerd op de
data van de Nederlandse Museumvereniging. Om rekening te
houden met verschillen in de omvang en het belang van de
musea zijn wegingsfactoren aangebracht. De rijksmusea tellen
het zwaarst mee, daarna de musea die aangesloten zijn bij
de Stichting Museumkaart of de Nederlandse Museumvereniging.
De overige musea hebben het minste gewicht.
Historisch karakter
Rijksmonumenten
Het aantal rijksmonumenten (objecten) in de gemeente (bron:
Rijksdienst voor Monumentenzorg). Er is in dit geval gekozen
voor de absolute waarde (dus niet per hoofd van de bevolking),
omdat de grachtengordel in Amsterdam niet minder fraai is
dan die van Leiden, ondanks de fors hogere bevolking in Amsterdam.
Historische woningvoorraad
Al indicator voor het historische karakter van de woningvoorraad
is het aantal woningen met een bouwjaar voor 1945 (bron:
ministerie van VROM) als percentage van de totale woningvoorraad
opgenomen.
Percentage koopwoningen
Het aantal koopwoningen in de gemeente als percentage van
de totale woningvoorraad (bron: ministerie van VROM/SYSWOV).
Huizenprijzen
Als indicator voor huizenprijzen is de mediane verkoopprijs
in de gemeente en de bijbehorende bandbreedte opgenomen.
Op die manier is niet alleen het prijsniveau, maar ook de
variatie in prijzen binnen de gemeente met die in de andere
gemeenten te vergelijken. De ondergrens van de bandbreedte
is de laagste prijs van de 90% duurste wijken in de gemeente,
de bovengrens van de bandbreedte is de hoogste prijs van
de 90% goedkoopste woningen. Als basis voor deze indicator
diende de huizenprijzen per vierkante meter op 4-positie-postcodeniveau
(bron: NVM).
Jeugdcriminaliteit
Het aantal delicten door jongeren van 12 tot en met 21 jaar
waarmee de jongere voor de rechter is verschenen (bron: Verwey-Jonker
Instituut), als percentage van het totaal aantal jongeren
tussen 12 en 21 jaar in de gemeente (bron: CBS).
Overlast van jongeren
Het aantal mensen in de gemeente dat aangeeft overlast van
groepen jongeren te ervaren, als percentage van de totale
bevolking (bron: Politiemonitor).
Kwaliteit onderwijs
Op basis van de gegevens van de onderwijsinspectie (Bron:
NIWI, Kwaliteitskaart onderwijs) is een gecorrigeerde prestatie-indicator
voor het middelbaar onderwijs per gemeente samengesteld.
De indicator is het residu uit een regressieanalyse waarin
het effect van de bevolkingssamenstelling en de schooltypes
op het gemiddelde eindexamencijfer per gemeente is gemeten.
In de regressie is de te verklaren variabele dus het gemiddeld
eindexamencijfer, gewogen naar aantal leerlingen per schooltype
(dus het aantal leerlingen op het vmbo maal het gemiddelde
cijfer op de vmbo s in die gemeente, etcetera, gedeeld
door het totaal aantal leerlingen op de scholen in die gemeente).
De eindexamencijfers per school zijn afkomstig van de onderwijsinspectie
en verkregen via het NIWI.
Het aandeel van culturele minderheden op een school en het
percentage kinderen met een studietoelage (proxy voor ouders
met een laag inkomen) tevens uit het bestand van de
onderwijsinspectie zijn geaggregeerd naar gemeenteniveau
en als verklarende variabelen in de regressie opgenomen.
Verschillen tussen de verschillende schooltypen zijn gefilterd,
door ook het aandeel leerlingen op vmbo en havo van het totaal
aantal leerlingen in de regressie mee te nemen. Daarnaast
zijn van het CBS het gemiddeld inkomensniveau in de gemeenten,
het percentage bevolking met een lage opleiding en het percentage
niet-westerse allochtonen in de analyse meegenomen. Tot slot
is de mate van segregatie (zie Segregatie in
deze verantwoordin g) meegenomen. In het meest robuuste model
bleken het percentage allochtonen, de mate van segregatie
en het inkomensniveau een negatief effect te hebben op de
schoolprestaties.
Aangenomen is dat de verschillen die niet door deze omgevingsfactoren
verklaard kunnen worden te maken hebben met de kwaliteit
van de school of scholen in een gemeente. Het residu uit
de regressieanalyse is dan ook opgenomen als kwaliteitsindicator
voor het secundair onderwijs in de betreffende gemeente.
Het betreft hier uitdrukkelijk gemiddelden per gemeente en
zegt dan ook niets over de (factoren die van invloed zijn
op de) kwaliteit van afzonderlijke scholen binnen zo n
gemeente. In de Atlas is het gemiddelde voor de laatste vijf
jaren opgenomen om schommelingen die het gevolg zijn van
onzekerheden in de data uit te middelen.
Woonaantrekkelijkheid
jongeren
De woonaantrekkelijkheidsindex voor jongeren bestaat uit
een gewogen combinatie van de indicatoren bereikbaarheid
van banen, cultureel aanbod, veiligheid, culinair aanbod,
historisch karakter en de nabijheid van natuur (zoals ook
in de gewone woonaantrekkelijkheidsindex) enerzijds,
en het huizenprijsniveau anderzijds. De indicatoren en de
wegingen zijn gebaseerd op een objectieve kwantitatieve analyse
naar het verhuisgedrag van jongeren tussen 15 en 29 jaar.
Daarbij is gecorrigeerd voor de aanwezigheid van een universiteit
of hbo-instelling. De indicator geeft dus aan welke steden
in trek zijn bij jongeren, los van de aanwezigheid van zo n
onderwijsinstelling.
De positie van steden op de woonaantrekkelijkheidsindex wordt
positief beïnvloed door de beschikbaarheid van banen en
de aanwezigheid van de genoemde voorzieningen, en negatief
door hoge huizenprijzen. De steden die het meest in trek zijn
bij jongeren combineren veel banen en voorzieningen met (voor
starters op de woningmarkt) betaalbare huizen.
naar boven |