StadsFoto

Een analyse van (de achtergronden van) de kansen en problemen in de stad.


 

DoeMeeWijzer

Hoe groot is de kans op bevolkingskrimp in (de wijken in) uw gemeente, en wat is daaraan te doen?


 

CultuurKaart

Het culturele aanbod en de cultuurdeelname in uw gemeente in kaart gebracht.


 

BijstandWijzer

Zicht op uw lokale beleidsruimte. Hoe groot is uw invloed op de omvang van de bijstand?


 

KansKaart

Een analyse van (de achtergronden van) de kansen en problemen in de wijk.


 

WijkWijzer

Wat is het belang van sport en evenementen voor de aantrekkings- kracht van een stad?

Onderzoek over wijken, gemeenten en regio's in Nederland
Indicatoren in de Atlas

In de Atlas voor gemeenten worden de vijftig grootste gemeenten van Nederland op meer dan veertig punten vergeleken. Die vijftig gemeenten zijn geselecteerd op basis van de bevolkingsomvang op 1 januari 2004. Sindsdien is de selectie van gemeenten niet meer aangepast omdat daarmee de vergelijkbaarheid door de tijd wordt gegarandeerd, en wordt voorkomen dat door gemeentelijke herindelingen grote niet-stedelijke gemeenten zoals de gemeente Westland in de Atlas worden vergeleken met stedelijke gemeenten. In de toekomst is het de bedoeling om naast een Atlas voor grote stedelijke gemeenten, ook een Atlas voor de overige (niet-stedelijke) gemeenten van Nederland uit te brengen. Nu al is het mogelijk om voor een specifieke gemeente een maatwerk Atlas of een Stadsfoto te laten maken.

 

De indicatoren waarop de gemeenten in de Atlas worden vergeleken zijn onderverdeeld in de categorieën ‘algemene informatie’, ‘bevolking’, ‘sociaal-economische positie’ en ‘woonaantrekkelijkheid’. In deel II van de Atlas voor gemeenten is van de indicatoren uit die categorieën per gemeente (indien mogelijk) de ontwikkeling door de tijd gepresenteerd, vergeleken met het gemiddelde van de G50. In deel III is per indicator een ranglijst opgenomen met de positie van de vijftig gemeenten ten opzichte van elkaar. In dit vierde deel worden alle indicatoren beschreven die in de Atlas voor gemeenten 2010 zijn opgenomen. Van die indicatoren worden de bron en de manier van samenstelling vermeld. De bron geeft telkens aan waar de ruwe data vandaan komen. Een opsomming van de gebruikte bronnen staat achter in dit deel. De gegevens zijn echter in alle gevallen door de samenstellers van de Atlas grondig bewerkt. Als geen bron vermeld staat is Atlas voor gemeenten zelf bronhouder.

 

Pagina 1 Algemene informatie

De eerste pagina per gemeente in deel II bevat algemene informatie over de gemeente zoals het aantal inwoners, de geografische ligging en het grondgebruik. Bovendien zijn op deze pagina de samengestelde indices gepresenteerd: de sociaal-economische positie en de woonaantrekkelijkheid.

 

Naam gemeente

De samenstelling van gemeenten is herhaaldelijk gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen betreffen samen­­voegingen van gemeenten. Andere wijzigingen zijn grenscorrecties. Dikwijls zijn er ook kleine wijzigingen waarbij slechts enkele tientallen personen en een paar huizen betrokken zijn. Daarnaast zijn er grenswijzigingen waarbij alleen een stuk grond van de ene naar de andere gemeente gaat. Een vergelijking van cijfers uit verschillende jaren is niet zinvol wanneer deze cijfers betrekking hebben op verschillende gemeente-indelingen. Daarom zijn alle gegevens in deze Atlas – dus ook de historische data en de data over 2009 en per 1 januari 2010 – omgerekend naar de gemeente-indeling van 1 januari 2009 (toen Arcen en Velden nog niet bij Venlo waren gevoegd). Daarvoor is gebruikgemaakt van het Historisch Bestand Gemeenten van het CBS. Dat bestand geeft van elke grenswijziging het aantal personen, het aantal woningen en het landoppervlak dat is overgedragen van de ene naar de andere gemeente. Ook naamswijzigingen zijn hierin opgenomen. Met behulp van de cijfers uit dat bestand is voor elke gemeente berekend hoeveel procent van de inwoners, woningen en oppervlakte in de nieuwe indeling bestaat uit inwoners, woningen en oppervlakte van een andere gemeente uit de oude indeling. Op basis van deze berekening zijn cijfers uit een oude gemeente-indeling omgerekend naar cijfers in de nieuwe gemeente-indeling.

 

GSB

In 1995 startte het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een programma om grootstedelijke problemen aan te pakken: het Grotestedenbeleid. Inmiddels is met 31 steden een convenant gesloten. In deze Atlas zijn vijftig gemeenten opgenomen met als criterium ten minste de kleinste GSB-stad (Lelystad) op te nemen, en dan af te ronden naar boven. Negentien van de vijftig gemeenten die in deze Atlas zijn opgenomen vallen dus niet onder het Grotestedenbeleid.

 

Aantal inwoners

De omvang van de bevolking op 1 januari 2010 (CBS, StatLine).

 

Rang omvang gemeente

Het rangnummer van de gemeente op basis van de bevolkingsomvang op 1 januari 2010.

 

Geografische ligging

Op een kaart van Nederland zijn de contouren aangegeven van alle gemeenten die in de Atlas zijn opgenomen. De op deze pagina’s beschreven gemeente is blauw ingekleurd.

 

Grondgebruik

De totale oppervlakte van de gemeente, en de verdeling over de categorieën bebouwing, bos en natuur, recreatie, landbouw en water (bron: CBS Bodemstatistiek).

 

Woonaantrekkelijkheid

De woonaantrekkelijkheidsindex laat zien hoe aantrekkelijk een gemeente gevonden wordt om in te wonen. De woonaantrekkelijkheid van een gemeente is gemeten aan de hand van een index waarin acht factoren zijn opgenomen. De factoren hebben in de index elk een eigen gewicht meegekregen. De woonaantrekkelijkheidsindex bestaat, in volgorde van gewicht, uit de bereikbaarheid van banen, het culturele aanbod (podiumkunsten), veiligheid (een gewogen samengestelde index op basis van het aantal geweldsmisdrijven en vernielingen), het aandeel koopwoningen in de woningvoorraad, de nabijheid van natuurgebieden, de kwaliteit van het culinaire aanbod, de aanwezigheid van een universiteit en het historische karakter van de stad (het percentage woningen gebouwd vóór 1945). De selectie van de factoren die deel uitmaken van de woonaantrekkelijkheidsindex en de bijbehorende wegingsfactoren zijn de uitkomst van een objectieve econometrische analyse. Dus niet op basis van een enquête en de subjectieve beleving van mensen, maar op basis van het feitelijke (woon)gedrag. Met een econometrische analyse is dat woongedrag van economisch kansrijke Nederlandse huishoudens onderzocht. De vraag naar woningen in de gemeente is in verband gebracht met zoveel mogelijk factoren die op deze vraag van invloed zouden kunnen zijn. Op die manier is onderzocht wat de factoren zijn die de aantrekkingskracht van een stad op kansrijke bevolkingsgroepen bepalen. Bovendien wijst de analyse uit welk gewicht elke factor heeft ten opzichte van de andere factoren. Die factoren met bijbehorende wegingen leveren de woonaantrekkelijkheidsindex op. De bereikbaarheid van banen weegt daarin het zwaarst. Vanuit gemeenten in de Randstad zijn ondanks files meer banen te bereiken dan vanuit gemeenten in de grensregio’s. Daarom staan veel gemeenten in de Randstad hoog op de ranglijst van de woonaantrekkelijkheidsindex. In deel III van de Atlas is een ranglijst is opgenomen van de nabijheid van natuur, waarin ook natuur in het buitenland is meegeteld. In de woonaantrekkelijkheidsindex is een indicator voor de nabijheid van natuur opgenomen waarbij natuur in het buitenland niet meetelt. De reden daarvoor is dat uit de econometrische analyse volgt dat de nabijheid van natuur in het buitenland (vooralsnog?) niet significant bijdraagt aan de aantrekkingskracht van een stad.

 

Ontwikkeling woonaantrekkelijkheid door de tijd

Behalve de samenstelling van de woonaantrekkelijkheidsindex voor het jaar 2009 en de positie op de ranglijst van meest aantrekkelijke gemeenten, is per gemeente ook de ontwikkeling van de relatieve positie op de ranglijst voor woonaantrekkelijkheid opgenomen. Bij sommige gemeenten zijn daarin flinke schommelingen zichtbaar. Dat komt omdat de rangnummers door de tijd worden vergeleken. Van veel gemeenten liggen de waardes van de woonaantrekkelijkheidsindex dicht bij elkaar. Het gevolg daarvan is dat een lichte verslechtering van bijvoorbeeld het veiligheidsniveau ten opzichte van gemeenten met een vergelijkbare waarde op de index, een gemeente in één klap een aantal plaatsen kan laten dalen op de ranglijst. In deel III van de Atlas is een ranglijst opgenomen van de grootste stijgers en dalers op de woonaantrekkelijkheidsindex over de laatste vijf jaar. Daar is de ontwikkeling op de feitelijke scores getoond. De ontwikkeling van de score kan vanzelfsprekend afwijken van de ontwikkeling in rangnummers.

 

Sociaal-economische index

De sociaal-economische index bestaat uit het aantal personen in de bijstand, het werkloosheidspercentage, het aantal arbeidsongeschikten, het percentage huishoudens met een inkomen lager dan 105% van het sociaal minimum, het aantal personen met een lage opleiding, de netto participatiegraad van vrouwen, de werk­gelegenheid (het aantal banen in de gemeente als percentage van de beroepsbevolking) en het percentage banen in groei­sectoren (financiële en zakelijke dienstverlening). De samenstelling van de sociaal-economische index is niet afgeleid uit een kwantitatieve analyse, maar gebaseerd op kwalitatieve kennis over arbeidsmarkt, werk­gelegenheid en lokale economie. Voor het bepalen van de index is per kenmerk de rangorde van de gemeenten bepaald. Het rangnummer wordt gedeeld door vijftig om de score van de gemeente op een bepaald onderdeel te verkrijgen. De sociaal-economische index is de som van die scores en wordt op zijn beurt weer gesorteerd op rang. De gemeente met rangnummer 1 heeft de beste sociaal-economische positie. Op elke pagina 1 van deel II staan ook de rangnummers van elk onderdeel uit de index.

 

Sociaal-economische index door de tijd

De sociaal-economische index door de tijd laat de ontwikkeling van de positie (rangnummers) op de sociaal-economische index zien. Gemeentelijke herindelingen blijken effect te hebben gehad op de sociaal-economische positie van gemeenten. Op basis van nieuwe gemeente-indelingen is de sociaal-economische index voor eerdere jaren herberekend. De Atlas gaat elk jaar van de nieuwste gemeente-indeling en de nieuwste beschikbare cijfers uit, en houdt die ook aan voor de eerdere jaren. Daardoor kunnen ook voor de oudere jaren lichte wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de index in de vorige Atlas, maar is wel de vergelijkbaarheid door de tijd ­gegarandeerd.

 

Pagina 2 Bevolking

Elke tweede pagina in deel II van de Atlas bevat grafieken met informatie over de ontwikkeling en de samenstelling van de bevolking van de betreffende gemeente, vergeleken met het gemiddelde van de 50 grootste gemeenten.

 

Bevolking

De totale omvang van de bevolking in de gemeente (bron: CBS).

Opbouw bevolkingsontwikkeling
De jaarlijkse groei van het aantal inwoners, opgesplitst in groei als gevolg van geboorte, sterfte en migratie (vestiging in de gemeente min vertrek uit de gemeente). In het migratiesaldo zitten ook de administratieve correcties verwerkt. In de grafiek geeft het donkere staafje de totale bevolkingsontwikkeling aan, en de lichte staafjes de opbouw daarvan. Ofwel: als de lichte staafjes worden ‘opgestapeld’ zijn die net zo hoog als het donkere staafje in de grafiek.

 

Migratiesaldo naar leeftijd

Het migratiesaldo als percentage van het aantal inwoners aan het begin van de periode, uitgesplitst in zeven leeftijdsgroepen.

 

Migratiebalans

De verandering van de woningvoorraad (nieuwbouw min onttrekkingen van woningen) is in sterke mate bepalend voor het migratiesaldo. Het migratiesaldo naar leeftijd is in de migratiebalans gecorrigeerd voor deze veranderingen in de woningvoorraad. Daarmee ontstaat een maat voor de voorkeur van de betreffende leeftijdsgroep voor een bepaalde gemeente (selectieve migratie).

 

Vergrijzing

Het aantal mensen van 65 jaar en ouder als aandeel van de bevolking in de gemeente (bron: CBS).

 

Vergroening

Het aantal mensen tussen 15 en 29 jaar als percentage van de totale bevolking in de gemeente (bron: CBS).

 

Hoogopgeleiden

Het aantal personen met een universitaire of hbo-opleiding (de SOI-niveaus 5, 6 en 7) als percentage van de beroepsbevolking in de gemeente (bron: CBS/EBB).

 

Creatieve klasse

De creatieve klasse in een stad blijkt de beste indicator te zijn voor de voorraad human capital. Daarom is als indicator voor dat menselijk kapitaal de omvang van de creatieve klasse als percentage van de beroepsbevolking genomen. De Nederlandse creatieve klasse is gebaseerd op het werk van Richard Florida, dat door de samenstellers van de Atlas uitgebreid getoetst is voor en bijgesteld is op basis van de Nederlandse situatie. De Nederlandse creatieve klasse bestaat allereerst uit bedenkers van creatieve ideeën, zoals wetenschappers en onderzoekers, innovatieve ICT’ers, ingenieurs, architecten, tv-makers, journalisten en bohemians zoals musici, vormgevers, schrijvers en kunstenaars. Ook de uitvoerders van creatieve ideeën in kennisintensieve economische sectoren zijn tot de creatieve klasse gerekend: managers, specialisten, assistenten en verkopers van creatieve ideeën in de wetenschap, de geneeskunde, de high-tech en ICT, financiële, organisatorische, bedrijfskundige en juridische dienstverlening en creatieve sectoren zoals design en kunst. De cijfers over de beroepen die tot de creatieve klasse behoren zijn op gemeenteniveau verkregen uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS. Voor het samenstellen van de Nederlandse creatieve klasse zijn niet de standaard beroepsgroepen van het CBS, maar alle 1211 beroepen die in de EBB-enquête voorkomen één voor één onderverdeeld in creatieve klasse, overheid, service klasse en arbeidersklasse. Omdat de enquête wordt gehouden onder een relatief klein deel van de bevolking, en ook de creatieve klasse maar een deel van de totale beroepsbevolking is, ontstaat een relatief grote statistische onzekerheid. Voor kleinere gemeenten vertoont het aandeel van de creatieve klasse om die reden relatief grote schommelingen door de tijd. Ook een voortschrijdend gemiddelde bleek nog erg gevoelig voor onzekerheden in de data. Om die onzekerheden zo min mogelijk te laten doorwerken in de gepresenteerde data is een driejaarsgemiddelde gepresenteerd.

 

Nerds

Een belangrijk onderdeel van de creatieve klasse vormen de mensen met een baan in de ICT- en high-tech-industrie: de zogenaamde nerds. Omdat aan die bevolkingsgroep door sommige wetenschappers een speciale waarde voor de economie wordt toegeschreven, zijn de nerds ook afzonderlijk in de Atlas opgenomen. De bron, dataproblemen en -oplossingen zijn identiek aan die beschreven bij de creatieve klasse.


Eenoudergezinnen

Het aantal jonge huishoudens met kinderen en slechts één ouder in de leeftijd tussen 20 en 39 jaar, als percentage van de potentiële beroepsbevolking (bron: CBS). Mensen die in een dergelijke gezinssituatie verkeren, blijken meer kans te hebben om werkloos te zijn.

 

Gezinnen met kinderen

Aantal gezinnen met kinderen als percentage van het totaal aantal gezinnen (bron: CBS).

 

Pagina 3 Sociaal-economische positie

In deel II wordt op elke derde pagina de sociaal-economische situatie van een gemeente onder de loep genomen. Veel van de hier gepresenteerde factoren maken ook deel uit van de sociaal-economische index (zie beschrijving bij pagina 1).

 

Werkgelegenheid

De werkgelegenheid is de geïndexeerde (1999=100) ontwikkeling van het totaal aantal banen in de gemeente. Het gaat hier om banen van werknemers, zelfstandigen zijn hierin niet meegeteld. In 2008 is het CBS over­gestapt op een nieuw registratiesysteem dat is gebaseerd op de Polisadministratie welke beheerd wordt door het UWV en is gevuld met werknemersgegevens uit de loonaangiften die werkgevers bij de Belastingdienst indienen. Om de vergelijkbaarheid met de tijdreeksen in eerdere Atlassen te continueren is met behulp van Lisa-data (www.lisa.nl) voor 2007 een ‘las’ gemaakt tussen de oude EWL-data van het CBS en de nieuwe regionale werkgelegenheidsdata gebaseerd op de Polisadministratie.

 

Stuwende werkgelegenheidsgroei

Een deel van de werkgelegenheidsgroei in een gemeente volgt de toename van de bevolking: werken volgt wonen. Waar meer mensen gaan wonen zijn meer bakkers, slagers, notarissen, etc. nodig. De correlatie tussen bevolkingsgroei en werkgelegenheidsgroei (gecorrigeerd voor andere verklarende factoren) is zelfs groter dan één. Als de werkgelegenheidsgroei in de gemeenten op basis van de coëfficiënt uit dat model wordt ­gecorrigeerd voor bevolkingsgroei blijft de werkgelegenheidsgroei over die niet het gevolg is van die bevolkingsgroei. Die groei wordt hier de stuwende werkgelegenheidsgroei genoemd.

 

Werkgelegenheid in de detailhandel

Het aantal banen in de detailhandel als percentage van het totaal aantal banen (bron: Lisa, www.lisa.nl). Onder deze categorie vallen warenhuizen, supermarkten, winkels en ambulante handel.

 

Werkgelegenheid in de horeca

Het aantal banen in de horeca als percentage van het totaal aantal banen (bron: Lisa, www.lisa.nl). Onder deze categorie vallen hotels, restaurants, lunchrooms, cafetaria, ijssalons en cafés.

 

Werkgelegenheid in de zorg voor jongeren

Het aantal banen in de zorg voor kinderen en jongeren als percentage van het totaal aantal banen (bron: Lisa, www.lisa.nl). Onder deze categorie vallen kraamhulp, kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en jeugdzorg.

 

Werkgelegenheid in de zorg voor ouderen

Het aantal banen in de zorg voor ouderen als percentage van het totaal aantal banen (bron: Lisa, www.lisa.nl). Onder deze categorie vallen thuiszorg, verzorgingshuizen, verpleeghuizen en welzijnswerk voor ouderen.


Netto participatiegraad

Het aantal werkzame personen, als aandeel van de totale potentiële beroepsbevolking (alle mensen tussen 15 en 64 jaar). Werkzame personen zijn personen die het grootste deel van hun inkomen verkrijgen uit arbeid (bron: CBS, RIO). Tot de participanten behoren enerzijds mensen die zonder steun van de overheid werken; mensen die zichzelf redden als werknemer of als zelfstandige. En anderzijds mensen die met ondersteuning van de overheid deelnemen aan het arbeidsproces (via gesubsidieerde arbeid, sociale werkvoorziening of loonkostensubsidies).

 

Kansen op de arbeidsmarkt

Voor de indicator ‘kansen op de arbeidsmarkt’ is allereerst het aantal laagopgeleiden, middelbaar opgeleiden, hoogopgeleiden en jongeren in de gemeente genomen. Vervolgens is de beschikbaarheid van werk voor die mensen in de gemeente berekend. Die beschikbaarheid is afgeleid van het aantal mensen per leeftijdsklasse en opleidingsniveau dat per gemeente gemiddeld in de verschillende sectoren werkzaam is. Op basis van die sectorale structuur is vervolgens bepaald welk deel van de banen in elke gemeente geschikt is voor laagopgeleiden, middelbaar opgeleiden, hoogopgeleiden en jongeren. De beschikbaarheid van banen is niet alleen het aantal banen dat in de gemeente zelf aanwezig is, maar ook de banen in de regio die binnen acceptabele reistijd te bereiken zijn. De beschikbaarheid van banen in elke gemeente is het zogenoemde ruimtelijke gemiddelde van het aantal banen, op basis van werkelijke reistijden en rekening houdend met files. Vervolgens is berekend welke mensen van buiten de gemeente ook ‘in de markt zijn’ voor die banen. Voor die concurrentie is vervolgens gecorrigeerd. Het resultaat is een indicator die aangeeft hoeveel banen er voor inwoners van de gemeente beschikbaar zijn, zonder dat die banen zich ook echt in die gemeente hoeven te bevinden (bron: Atlas voor gemeenten o.b.v. data CBS, ESRI, AVV).

 

Arbeidsongeschiktheid

Het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA, WAO, WAZ en Wajong) als percentage van de beroepsbevolking (bronnen: CBS en UWV).

 

Bijstand

Het aantal personen met een WWB- (Wet Werk en Bijstand), IOAZ- (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen), of IOAW-uitkering (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers) als percentage van de bevolking tussen 20 en 64 jaar (bron: CBS).

 

Jeugdwerkloosheid

Het aantal jongeren tussen 15 en 24 jaar dat werk zoekt (bron: UWV WERKbedrijf) als percentage van de beroepsbevolking tussen 15 en 24 jaar (bron: EBB/CBS). Het aantal werkloze jongeren tussen 15 en 24 jaar is het aantal zogenoemde niet-werkende werkzoekende jongeren dat is ingeschreven bij het UWV WERKbedrijf. Daarmee is overigens slechts een deel van de jeugdwerkloosheid in kaart gebracht. Voor werkzoekende jongeren is inschrijving bij het UWV WERKbedrijf immers geen verplichting of noodzaak omdat werkzoekende jongeren vaak toch geen recht hebben op een uitkering. Het totaal aantal werkloze jongeren uit de EBB blijkt dan ook af te wijken van de cijfers van het UWV WERKbedrijf, maar die bron is ongeschikt voor een vergelijking op gemeenteniveau omdat daarvoor de steekproef te klein is. De omvang van de totale beroepsbevolking tussen 15 en 24 jaar is wel gebaseerd op de EBB van het CBS. Er is een model gebruikt om te corrigeren voor de systematische afwijkingen die in de EBB zitten en schommelingen die niet het gevolg zijn van feitelijke ontwikkelingen. Die correctiemethodiek levert een betrouwbare beroepsbevolking op en dus een betrouwbare vergelijking van gemeenten.


Langdurige werkloosheid

Het aantal langdurig werklozen in de gemeente is het aantal zogenoemde niet-werkende werkzoekenden dat meer dan drie jaar werkloos is (bron: UWV WERKbedrijf). Het aantal langdurig werklozen is genomen als percentage van de beroepsbevolking. De omvang van de totale beroepsbevolking in de gemeente is gebaseerd op de EBB van het CBS. Om te corrigeren voor schommelingen die het gevolg zijn van afrondingen in verband met de geringe steekproefgrootte van de EBB is hiervan het driejaarsgemiddelde genomen.

 

Armoede

Het percentage huishoudens met een inkomen lager dan 105% van het sociaal minimum. Dat percentage is gebaseerd op een modelschatting dat het aantal huishoudens met een inkomen lager dan 105% van het sociaal minimum schat op basis van het aantal inwoners en het aantal 65-plussers (bron: CBS, StatLine), het aantal ontvangers van een bijstandsuitkering (ABW, IOAW en IOAZ, bron: CBS, StatLine), het aantal ontvangers van een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA, WAO, WAZ en Wajong, bronnen: CBS StatLine en UWV) en het aantal ontvangers van een WW-uitkering (bronnen: CBS StatLine en UWV). Het percentage huishoudens met een minimuminkomen wordt vervolgens berekend door het aantal arme huishoudens te delen door het aantal particuliere huishoudens exclusief studentenhuishoudens.

 

Pagina 4 Woonaantrekkelijkheid

De laatste pagina per gemeente is volledig gereserveerd voor factoren die van invloed zijn op de aantrekkingskracht van een gemeente op verhuizende huishoudens, en dus op de kans op krimp. Veel van deze factoren maken ook deel uit van de woonaantrekkelijkheidsindex (zie beschrijving bij pagina 1).

 

Bereikbaarheid van banen

Bij de bereikbaarheid van banen gaat het om de bereikbaarheid van werk vanuit de gemeente, vanuit het perspectief van de inwoners (huishoudens). Ofwel: hoe goed kunnen mensen die in de betreffende gemeente wonen een gevarieerd aanbod banen in die gemeente en alle andere gemeenten in Nederland bereiken? Daarbij tellen banen die verder weg liggen minder zwaar mee dan banen dichtbij. De bereikbaarheid van banen is gebaseerd op de gemiddelde reistijdwaardering van Nederlandse werknemers. Daarbij is gerekend met werkelijke reistijden. De bereikbaarheid van banen is berekend voor de auto buiten de spits (eerste staafje in de figuur), de bereikbaarheid per auto in de spits (tweede staafje) en de bereikbaarheid per openbaar vervoer. De verschillen tussen de drie staafjes in de figuur geven aan in welke mate die bereikbaarheid verslechtert als gevolg van files (het verschil tussen het eerste en het tweede staafje), en of de gemeente in de spits beter bereikbaar is per auto of per openbaar vervoer (het verschil tussen het tweede en het derde staafje). 

 

Onveiligheid

De onveiligheidsbeleving van mensen, afgemeten aan hun woongedrag, wordt het beste verklaard door het aantal geweldsmisdrijven en vernielingen in de stad. Een gewogen combinatie van die indicatoren (bronnen: CBS en KLPD (HKS en BPS)) op basis van de regressieanalyse die ten grondslag ligt aan de woonaantrekkelijkheidsindex, is hier als indicator voor het veiligheidsniveau in de stad gebruikt. Van die samengestelde index is steeds het driejaarsgemiddelde gepresenteerd. Dit is gedaan om grote schommelingen in de data over meerdere jaren uit te smeren. De scores van oudere jaren op deze index kunnen afwijken van die in eerdere edities van de Atlas voor gemeenten. Dat komt omdat het CBS de data over veiligheid die in de index zijn gebruikt met terugwerkende kracht heeft aangepast. Het laatste jaar is volledig gebaseerd op data van de KLPD omdat de data van het CBS over 2009 nog niet beschikbaar waren. Schommelingen in de data kunnen het gevolg zijn van veranderingen bij de regionale politiekorpsen in de wijze van registreren. Voor dergelijke wijzigingen is zo goed als dat mogelijk was gecorrigeerd.

 

Restaurants

Het aantal restaurants in de gemeente per 10.000 inwoners (bron: Bedrijfschap Horeca en Catering).

 

Culinaire kwaliteit

Het kwalitatieve aanbod van restaurants is gemeten aan de hand van het oordeel van de rapporteurs van restaurantgids Lekker en de Michelingids. In de Michelingids zijn ongeveer zeventig Nederlandse restaurants opgenomen. De restaurantgids Lekker presenteert jaarlijks vijfhonderd Nederlandse kwaliteitsrestaurants. Bovendien wordt uit deze vijfhonderd een top 100 samengesteld. Om tot de culinaire kwaliteitsindicator te komen hebben gemeenten per restaurant met vermelding in de Lekker één punt gekregen. Vermelding in de top 100 leverde één bonuspunt op, en de eerste plaats nog eens één bonuspunt (in totaal dus drie punten voor het restaurant op de eerste plaats in de Lekker). Elke ster in de Michelingids leverde eveneens een punt op (een restaurant met drie sterren kreeg dus drie punten, gelijk aan een eerste plaats in de Lekker-top-100). Al die punten zijn vervolgens opgeteld, zodat feitelijk een gemiddelde is genomen van het oordeel van de Lekker-rapporteurs en de Michelin-rapporteurs. De score per gemeente is tot slot gedeeld door de bevolkingsomvang. De kwaliteitsindicator is zo een maat voor de dichtheid van kwaliteitsrestaurants in een bepaalde gemeente. Die indicator is uiteindelijk weergegeven als het aantal culinaire kwaliteitspunten per 50.000 inwoners.

 

Percentage sociale huurwoningen

Het aantal sociale huurwoningen als percentage van de woningvoorraad (bron: SYSWOV, Ministerie van VROM). Voor de steden in Zuid-Limburg is een correctie toegepast (o.b.v. interpolatie en extrapolatie) omdat twijfel bestaat over een groot aantal verkochte sociale huurwoningen.

 

Huizenprijzen

Als indicator voor huizenprijzen is de mediane verkoopprijs in de gemeente en de bijbehorende bandbreedte opgenomen. Op die manier is niet alleen het prijsniveau, maar ook de variatie in prijzen binnen de gemeente met die in de andere gemeenten te vergelijken. De ondergrens van de bandbreedte is de laagste prijs van de 90% duurste wijken in de gemeente, de bovengrens van de bandbreedte is de hoogste prijs van de 90% goedkoopste woningen. Als basis voor deze indicator dienden de huizenprijzen per vierkante meter op 4-positie-postcode­niveau (bron: NVM).

 

Winkels voor dagelijkse voorzieningen

Aantal winkels dagelijkse voorzieningen per 1000 inwoners.

 

Leegstaande winkels

Aantal leegstaande winkels als percentage van het aantal winkels.

 

Podiumkunsten

Het aantal theatervoorstellingen en concerten in de gemeente, opgesplitst in drie categorieën: theatervoorstellingen, klassieke muziek en popmuziek. Onder de categorie theater vallen toneel, ballet, dans, cabaret, musical. Onder popmuziek vallen ook jazz, lichte muziek en wereldmuziek. Klassieke muziek bevat ook de categorie opera (bron: VSCD, VNPF, Muziek Centrum Nederland, Nederlands Uitburo). Voor het aanbod podiumkunsten is gebruikgemaakt van het aantal voorstellingen in de theaters en poppodia die aangesloten zijn bij de Vereniging voor Schouwburg- en Concertgebouwdirecteuren (VSCD), de Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals (VNPF) en het Muziek Centrum Nederland (MCN), of die zijn opgenomen in het theaterbestand van het Theater­instituut Nederland (TIN) en waarvoor de data bij de afzonderlijke instellingen verzameld zijn. Het culturele aanbod per gemeente is gecorrigeerd voor het aantal inwoners.

 

Rijksmonumenten

Het aantal rijksmonumenten (objecten) in de gemeente (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Er is in dit geval gekozen voor de absolute waarde (dus niet per hoofd van de bevolking), omdat de grachtengordel in Amsterdam niet minder fraai is dan die van Leiden, ondanks de fors hogere bevolking in Amsterdam.


Archeologische monumenten

Het absolute aantal archeologische monumenten (objecten) in de gemeente (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

 

Musea

Het gewogen aantal musea in de gemeente gebaseerd op de data van de Nederlandse Museumvereniging. Om rekening te houden met verschillen in de omvang en het belang van de musea zijn wegingsfactoren aangebracht. De rijksgesubsidieerde musea die voorkomen in de top-55 van bezoekersaantallen tellen het zwaarst mee (wegingsfactor 2,5). Daarna de musea die aangesloten zijn bij de Nederlandse Museumvereniging (wegings­factor 1). De overige musea hebben het minste gewicht (wegingsfactor 0,5).

 

Evenementen

Het aantal publieksevenementen in de gemeente per 100.000 inwoners. Onder publieksevenementen vallen evenementen uit de categorieën beeldende kunst, maatschappij/sociaal/cultuur, podiumkunsten en sport (bron: Respons, zie: www.respons.nl). Een publieksevenement wordt als volgt gedefinieerd: ‘Een gebeurtenis met een begin- en einddatum, die op één of meerdere locaties plaatsvindt, verplaatsbaar is en waarbij de bezoekers specifiek voor de activiteiten komen.’ In het overzicht van het aantal evenementen per gemeente is uitgegaan van evenementen die een minimum bezoekaantal hebben van 5000. Voor de gegevens over deze evenementen is waar mogelijk uitgegaan van bezoekaantallen die bekend waren over 2009. Waar nog bezoekaantallen ontbraken, is uitgegaan van gegevens over 2008 of eerder. De bezoekaantallen zijn, voor zover het de gratis toegankelijke evenementen betreft, schattingen van de bij de evenementen betrokken organisaties en instanties. Het aantal evenementen per gemeente kan afwijken van dat uit eerdere edities van de Atlas, omdat een aantal evenementen met meerdere edities per jaar zijn samengevoegd, zodat het nu alleen om unieke evenementen gaat. Respons heeft zoveel mogelijk getracht door middel van het raadplegen van meerdere bronnen tot een zo betrouwbaar mogelijke schatting te komen. Iedereen die van oordeel is dat de getoonde aantallen (aantoonbaar) onjuist zijn kan contact opnemen met Respons (www.respons.nl).

 

Voetbalindex

Als indicatie voor het aanbod aan grote sportevenementen in de gemeente is gekozen voor de aanwezigheid en prestaties van profvoetbalclubs in de gemeente. Van alle voetbalclubs die in de ere- en eerste divisie uitkomen, is de jaarlijkse stand op de ranglijst geregistreerd (bron: www.vi.nl). Aan de nummer 1 van de eredivisie zijn per jaar 100 punten toegekend, aan de nummer laatst van de eerste divisie 100 gedeeld door het aantal clubs in de ere- en eerste divisie (variërend van 36 tot 38). De punten van de tussenliggende clubs zijn naar rato, zodat de nummer laatst van de eredivisie één punteneenheid meer heeft dan de kampioen van de eerste divisie. Dat is gedaan omdat het niet te verwachten is dat degradatie uit de eredivisie onmiddellijk de aantrekkelijkheid van een gemeente aantast. Zeker niet als de club een jaar later weer terugkeert naar de eredivisie. Evenzeer zal een incidentele promotie naar de eredivisie (met opvolgende degradatie) niet onmiddellijk de aantrekkelijkheid fors vergroten. Om die reden is ook niet de score van één jaar, maar een vijfjaarsgemiddelde genomen. Tot slot zijn de punten van de clubs per gemeente opgeteld. De meeste gemeenten hebben maar één club, zodat de punten voor een gemeente meestal overeenkomen met die van de club. Uitzonderingen zijn Rotterdam met drie profclubs (Feyenoord, Sparta en Excelsior) en Eindhoven met twee clubs (Eindhoven en PSV); Rotterdam en Eindhoven staan dan ook eerste en tweede op de ranglijst van de Voetbalindex.